Lassus: Pikmuziek

Het is op de kop af alweer honderd jaar geleden dat de muziek aan een radicale vernieuwing werd onderworpen. Na de eindeloze melodieën van Richard Wagners opera’s (die eindeloosheid werd mogelijk gemaakt door het steeds wentelen in andere toonaarden), en de naar de smaak van sommigen overspannen verklanking van alle hemelse (en af en toe ook minder hemelse) gevoelens van Gustav Mahler in zijn symfonisch oeuvre, was het tijd voor iets anders: het leek er even op of de westerse muziek aan een eindpunt was gekomen.

Koplopers hebben waardering voor de muziek van Arnold Schönberg die omstreeks 1910 de twaalf tonen binnen het octaaf op een vooral niet logische volgorde plaatste (de luisteraar zou er anders misschien een wijsje in kunnen horen) en zichzelf, enkele duidelijk omschreven uitzonderingen daargelaten, verbood die volgorde binnen zijn compositie te veranderen: iedere noot, hetzij verticaal (als ‘harmonie’) of horizontaal (als ‘melodie’), moest zijn plaats ontlenen aan de gekozen ‘reeks’. De twaalftoonsmuziek was geboren. Dat Schönberg en zijn volgelingen Anton Webern en Alban Berg er toch nog in slaagden met deze beperkingen tot meer dan aanhoorbare, ja, soms aangrijpende muziek te komen, pleit voor hun talenten, maar ook voor de onverwoestbare levenskracht die muziek, in welke vorm dan ook, heeft.

Tot in de jaren ’60 vond deze twaalftoonstechniek (ook ‘dodecafonie’ genoemd) nog steeds veel aftrek bij de avant-garde, zij het dat de voorschriften inmiddels aardig waren aangelengd met minder rigide mogelijkheden. Toch wordt vandaag de dag ingezien dat de basis van bijna duizend jaar westerse muziek, onze twaalf ‘majeur’- en onze twaalf ‘mineur’-toonsoorten nog steeds de bouwstof kan bieden aan de componist van onze tijd die zijn gevoelens muzikaal wil vormgeven. Mensen als Frank Martin, György Ligeti, Alfred Schnittke—je kan er gemakkelijk nog tien of twintig opnoemen—zijn hiervan het bewijs.

Dit kleine, misschien weinig opzienbarend stukje muziekgeschiedenis, mag dienen als inleiding tot een volgende column over muziek van de Engelsman William Walton waar Lassus veel bewondering voor heeft.