Blog

Dropdown - blog

Een van de laatste liederenbundels die Gabriel Fauré op muziek zette, heet L’horizon chimèrique – moeilijk te vertalen, misschien De gedroomde einder? Dankzij de grammofoonplaat (door Lassus sr. gekocht in 1940!) heeft Lassus nog steeds een levendige herinnering aan de indrukwekkende stem van de schitterende zanger Charles Panzéra, die natuurlijk Fauré (à 1924) zelf had gekend en deze prachtige liederen op een vroege His-Masters-Voiceplaat had opgenomen.

Het is typisch laat werk, zoals veel muziek die op latere leeftijd geschreven is, een zekere ‘kaalheid’ vertoont – zonder dat de componist zo doof hoeft te zijn als Beethoven of Fauré waren.

Luister bij voorbeeld eens (nu we het toch over liederen hebben) naar Ravels overweldigende Chansons madécasses (Liederen uit Madagascar) of naar zijn Sonate voor viool en cello: een toch wat afstandelijk meesterwerk waarvan je de virtuoze bouw en originaliteit moet bewonderen, maar waar de liefderijke warmte van, bij voorbeeld, de suite Ma mère l’Oye (Moeder de gans) aan ontbreekt. Maar die stukjes waren dan ook geschreven voor de kleine kinderen van zijn vrienden, het Poolse echtpaar Godebski – en net als Debussy, die zijn pianosuite Childrens Corner voor zijn beminde dochtertje Chouchou schreef, inspireerde de wereld van het kind, van het sprookje en van het speelgoed beide componisten (toevallig vrijwel gelijktijdig) tot het beste wat zij in zich hadden!

‘Zijn ze nog aan het stemmen?’ had een vriendje mij gevraagd, toen we in de concertzaal luisterden naar de schitterende fluitsolo waarmee Debussy’s Prélude à l’aprés-midi d’un faune begint, die prachtige schildering van een mediterraan eiland in de felle zon, waar een sater twee badende nimfen bespiedt. Dat stadium waren de dertig volwassenen voor wie Lassus over Debussy mocht spreken, wel voorbij – maar toch bleek keer op keer uit de reacties hoe een toelichting op de muziek een verhoogd ‘luisterbegrip’ kan teweeg brengen.

‘Eindelijk dan heb ik het idee voor het laatste deel van mijn vioolsonate, al moet ik afwachten wat de andere delen ervan zullen vinden!’ of woorden van gelijke strekking had Debussy geschreven, een jaar voor zijn overlijden in 1918. Die andere delen spraken, gelukkig, hun veto niet uit. Jaren eerder had Debussy in Boedapest in een café een tzigane of ‘stehgeiger’ gehoord die diepe indruk op hem maakte, en die impressies vormde hij (bewust of onbewust? dat antwoord zal niemand kunnen geven) om, transformeerde hij tot ‘café-muziek’ van het allerhoogste niveau, tot het symbool ervan, net zoals La mer een symbool is van de zee en het water – nooit plat, nooit met effectbejag (maar daardoor: wat een effect!), altijd origineel, altijd edel en beheerst.

Hoe vaker je er naar luistert,hoe meer de bewondering groeit voor de muziek van deze hele grote, die nieuw bloed bracht in de gaandeweg verstopte aderen van het levend wezen dat de muziek is.

Lassus: Leed

In het onverwoestbare radioprogramma Diskotabel vertoonden vier dames en heren weer eens hoe goed ze konden luisteren en waarom A mooier was dan B of omgekeerd. Was niet Rachmaninoff’s derde pianoconcert het onderwerp van de zogenaamde vergelijking, waarbij verschillende uitvoeringen tegen het licht worden gehouden, dan had ik het vermoedelijk wel weggedraaid, maar de kans om het onvergankelijke openingsthema een paar keer achter elkaar te horen, die mag je niet missen. Zo heerlijk lang is het, zo eenvoudig, zo schitterend geharmoniseerd! En de onvoorstelbaar melancholieke atmosfeer van het tweede deel – alleen een Oost-Europeaan kan al die ‘Weltschmerz’, al dat leed op zo’n koninklijke en gelijktijdig zeldzaam sensuele wijze gestalte geven. De climax die leidt naar de terugkeer van het langzame hoofdthema, eerst in de blazers, dan schitterend-golvend in de strijkers—het is onbeschrijfbaar—nou ja, muziek is natuurlijk sowieso onbeschrijfbaar.

In de uitzending werd nog de uitvoering met het New York Philharmonic, nu 34 jaar geleden, door Vladimir Horowitz gememoreerd. Luisteraar, kijker, zoek die uitvoering op YouTube op. Daar zit hij,een van de allergrootste pianisten aller tijden, zonder ook maar een spoor van ijdelheid, zonder enige vorm van bekkentrekkerij, zonder enige vorm van uiterlijke emotie – alleen maar zich zelf te zijn, een ouderende Russische Jood die 44 minuten en 30 seconden lang een schouwspel biedt dat je ademloos beziet en beluistert.

Het is een zeldzaam technisch geschenk dat zoiets mogelijk is – heel veel van al die musici, van die paar duizend luisteraars daar in de zaal, inclusief Horowitz zelf, zij zijn niet meer onder ons, en het past bij de sfeer van deze muziek daar iets langer bij stil te staan – het geeft, eerlijk of niet: het luisteren een extra dimensie!

Tja, Rachmaninoff’s pianoconcerten, het blijft de mooiste filmmuziek die er is.

Het wonder van de muziek voltrok zich deze keer op een wel zeer ongeloofwaardige plaats en tijd. In Culemborg op een zondagavond in de winter zonder einde, op zoek naar het plaatselijke theatertje – veel erger is er niet.

Dat maakt onze tijd zo bijzonder: hoe ogenschijnlijk volkomen gescheiden werelden elkaar moeiteloos raken. Daar stonden ze op die avond voor een zaaltje vol Hollandser dan Hollandse Hollanders, net Studio Sport en een gehaktbal achter de kiezen: twintig Oekraïners en een dirigent, het Credo-koor uit Kiev, mensen zoals u en ik en toch weer niet.

Ze zongen voor de pauze Russisch-orthodoxe liturgieën en gebeden, ze riepen de heilige Drie-Eenheid aan, ze zongen tot alle engelenscharen en de Heer en Zijn Enig Geboren Zoon – en dat alles in een schitterende koorzang die je, nog afgezien van de muzikale ervaring, weer eens deed beseffen hoe intens vroom de wereld vroeger was, hoe heel ons wezen gericht was op een geestelijke wereld die nu niet meer beleden wordt, en zeker niet in de vurige, bijna extraverte vorm van toen.

De angst dat dit alles ons na de pauze te lang zou vallen, bleek niet terecht. Daar verschenen ze weer, maar nu niet in stemmig grijs en zwart, maar in de traditionele bloemrijke feestkledij met zijden blouses, sjerpen en gebloemde rokken, en daar ging het los over moedige kozakken en van liefde dromende meisjes, niet meer statisch en innig, maar in de vorm van uitbundige kleine ‘acts’ en nu ook met een iets grotere rol voor het meisje dat op bevallige wijze bevallige klanken ontlokte aan een Russische kruising tussen een mandoline en een harp.

Een zeldzame avond. Geloof, hoop en liefde, ze worden in de hele wereld bezongen.

Totaal onverwacht. Vanmorgen deed ik even de televisie aan. Ik had geluk en viel wederom in mijn favoriete zondagprogramma “vrije geluiden” Dit maal met een koor zo schoon als je maar zelden horen zal. Een onderdeel van het Kiev koor. “Credo” liet in kleine formatie van zich horen. Kerkmuziek uit de Oecraine geschreven door bisschoppen van onze tijd. Het zoeken naar een CD bleek lastig. Maar het geluk begon pas. Credo sloot hun tournee af in de Franse school in Culemborg nota bene. Top talent in de provincie. Dat is het voordeel van deze tijd. De hele wereld rond en eindigen bij mij om de hoek. Vooraf kaartjes kopen kon niet meer. Ik kocht er vanavond twee aan de kassa. Samen met mijn vader die zich een weg baande in het donker naar de regio.

Het licht ging uit en de rest is een diepe belevenis die zijn weerga niet kent. Het was verpletterend. Er werd gezongen, zo zuiver, zo diep, zo strak geregisseerd zoals alleen de Russen dat kunnen. De vrouwelijke koorleden wiegen zonder dat ze het zelf beseffen, de stemmen kwamen los van het lichaam en de harmonieën gingen door elkaar heen en als een geweven patroon zonder zichtbare overgangen. Scharkeringen en kleur lieten zich zien. De ziel is dichtbij. Ik mocht hem even waarnemen.

Lassus: Kou

De ‘Zaterdag-matinee’ bracht een zeer hedendaags werk. Het voltallige Radio Filharmonisch Orkest spande zich duidelijk in onder leiding van de componist Matthias Pinscher om diens ‘Reflections on Narcissus’ voor cello en orkest uit 2005 alle eer te bewijzen. Aan hen en zeker aan de solist (die alles, van extreem laag tot, vooral, extreem hoog uit zijn hoofd speelde, een onbegrijpelijke prestatie) lag het zeker niet dat wij (en ik vrees dat dit wij deze keer een groot deel van de bezoekers vertegenwoordigde) met deze muziek geen raad wisten.

Over de kloof tussen de moderne muziek en het publiek is eindeloos geschreven. Er is geen enkele reden om er aan te twijfelen dat de muziek die wij ondergingen, geschreven is door een bekwame, geïnspireerde componist. Maar om er iets van mee naar huis te nemen, moeten wij, toehoorders, muziek als deze in één seizoen zeker vier of vijf keer horen, niet ingeblikt, niet door luidsprekers (zelfs niet door die van Audio-Life), en bij voorkeur niet vrijwel achter in de zaal van het concertgebouw, waar het toch al een enorme concentratie vraagt om bij al het gedoe, gestrijk en geblaas betrokken te blijven.

Wij willen niet als oude ballen bij het verleden blijven stilstaan. Iedere dag worden met de pijn en de moeite die horen bij de geboorte van iedere serieuze schepping, nieuwe meesterwerken ontrukt aan het universum van de ‘harmonie der sferen’, en wij, kinderen van onze tijd, willen ze horen en waarderen. Maar muziek als deze vraagt er nu eenmaal om vele malen te worden beluisterd, voor ze haar schatten prijsgeeft – als ze die niet had, zou ze niet worden geprogrammeerd. Deze keer bleven wij, toehoorders, nog met veel vraagtekens in de kou staan – en wij verlangen toch al zo naar het voorjaar! Laat ons hopen dat wij dit werk spoedig nog eens, en nog eens, en nog eens kunnen horen, zodat wij iets kunnen verstaan van wat de componist ons wil zeggen.

Liever in een seizoen dus twee premières vijf keer, dan tien premières één keer!

‘Fase’ (van stroom) is een veelbesproken onderwerp in de audio. Kort door de bocht heeft het te maken met hoe je apparatuur klinkt als je de stekker van het aangesloten netsnoer omdraait. De best geaccepteerde verklaring in de audiowereld is dat een ‘verkeerde fase’ relatief veel lekstroom geeft, wat als een spanning over je stroomkabels gaat lopen (vervorming).

Hoe een en ander technisch werkt staat goed uitgelegd op de site van Audiopaul. Hier wordt ook omschreven hoe je per apparaat de laagste lekstroom kan vinden met behulp van een multimeter en zo de boel in fase kan zetten. Nogmaals: het is de best geaccepteerde verklaring maar men is het er nog steeds niet helemaal over eens. Dat maakt (wat ons betreft) ook niet uit, als het maar zin heeft (voor een beter geluid).

Er is echter een makkelijkere methode om je set in fase te zetten, die in de meeste gevallen werkt. Waar het om gaat is dat de fase uit je netsnoer wordt aangesloten aan de kant van de trafo waar de minste lekstroom wordt opgewerkt. Omdat deze aansluiting (van de trafo) in de meeste apparatuur op dezelfde manier is doorgevoerd, werkt onderstaande dus ook in de meeste gevallen (in ieder geval bij al onze apparatuur).

De eenvoudige methode

  1. Neem een spanningszoeker
  2. Steek het netsnoer dat je wilt gebruiken in het stopcontact
  3. Zoek met de spanningszoeker de fase in het netsnoer (aan de IEC-kant, die je op het apparaat aansluit, het lampje van de spanningszoeker gaan branden als je de fase hebt).
  4. De rechter geleider zou de fase moeten zijn als het middelste pinnetje boven zit. Zo niet: draai de stekker in het stopcontact om en meet nogmaals, nu moet de rechter geleider de fase zijn.

Dat was het al. Een set die volledig in fase staat klinkt onder andere krachtiger, kleurrijker, gebalanceerder en losser van de luidsprekers met een betere focus/plaatsing.

Als je helemaal geen zin hebt om te meten kun je het ook op gehoor vaststellen. Hoor je het niet? Doe dan geen moeite meer. Hoor je het wel? Dan heb je bij deze als tip de best klinkende aansluiting te vinden en je set beter te laten klinken 😉 Want daar gaat het ons om (en niet om de technische verhaaltjes).

Als je er niet uitkomt, kun je natuurlijk altijd even een bericht achterlaten!

Als je die welgedane kop met schitterende pruik van Händel ziet, begrijp je al dat hij van heel wat wereldser makelij was dan zijn leeftijdgenoot Bach. The Messiah werd in 1742 dan ook niet aangekondigd als een oratorium dat de komst van het Jezuskind bezingt, maar zonder meer als een ‘Grand Musical Entertainment’ – dat is wel andere koek dan de zes cantates van Bach die samen het Weihnachtsoratorium vormen!

Lassus woonde een bijna volmaakte uitvoering van die Messias bij door het Rias Kammerchor en de Akademie für Alte Musik Berlin: wat een rijkdom aan klank en timbre, motieven, melodie en harmonie schreef Händel daar in maar drie weken tijd bij elkaar. Samen met Bach vormt zijn werk het stralende eindpunt van een muziekstijl die zijn oorsprong eigenlijk al vindt in de eerste meerstemmige kerkzang van enkele eeuwen daarvoor. Nog bij het leven van beide genieën neemt wat wij de ‘klassieke’ Weense muziek noemen, het stokje over, met als hoogtepunt het werk van die drie andere groten (Haydn, Mozart, Beethoven) – net zoals weer enkele eeuwen later, rondom 1900, hun bouwwerk door Mahler en Wagner zo was opgetuigd, dat er opnieuw een bijna fundamentele wending kwam, nu ingeluid door Debussy en Ravel.

Dat is, in een wel heel kleine notedop, de geschiedenis van de Westerse muziek. Dan hebben wij het helemaal niet over India, China, Iran, Afrika, Zuid-Amerika – hele continenten zingen, strijken, tokkelen en blazen klanken die maar langzamerhand, zij het in versneld tempo, tot ons komen.

Muziek – wat een geschenk voor de mensheid.

Met een mooie combinatie won je een potje schaak en even ging het door je heen: zou ik, met hard studeren, even goed kunnen worden als Kasparov? Op de tennisbaan sloeg je een paar vlekkeloze forehands, en even ging het door je heen: zou ik, met hard werken, even goed kunnen worden als Federer?

Dromen, dromen. Het is al mooi als wij met onze liefhebberijen iets kunnen navoelen van wat de waarlijk groten in hun vak beleven.

Maar toch. Kort geleden (ik schreef er al over in een eerdere column) mocht Lassus de basso continuo strijken in een uitvoering van het Magnificat van Bach. ‘Technisch’ is dat een eenvoudige opdracht, en wie wat van barokmuziek weet, kan die versterkte baslijn (meer is het niet) smaakvol spelen.

Smaakvol – bah! Alsof dat genoeg is! Eindelijk, eindelijk, na een leven omgang met de cello speelde ik een paar honderd noten volmaakt, en dat woord neem ik niet terug: volmaakt. Dat betekende: glaszuiver (moeilijk genoeg); met een perfecte streek en klank (moeilijk genoeg); met het juiste begrip voor de adem, de gang, de puls van de muziek (moeilijk genoeg); en dat alles als een ideale steun, niet meer, maar zeker ook niet minder (moeilijk genoeg) voor de zangers die hun solo zongen.

Het bleef niet onopgemerkt. Dankbaar denk ik af en toe terug aan het geluksgevoel dat het mij, en blijkbaar ook een enkele andere schonk. Soms, even, draag je als musicus echt iets bij aan het in stand houden van het levende wezen dat de muziek is.

Lassus: Uitzicht

Uit de radio komt het heerlijk-depressieve langzame deel van Rachmaninov’s tweede symfonie. Het blijkt een van de paar honderd verzoeknummers te zijn die in een marathon-uitzending, de ‘Radio4daagse’, ten gehore worden gebracht. Ja, gemakkelijk hebben ze het niet, daar in Hilversum, ingeklemd tussen ClassicFM en tientallen popzenders. De lijst van uitgevoerde werken (natuurlijk nooit meer dan een minuut of tien per stuk, stel je voor dat je je aandacht wat langer op iets zou moeten richten) stond in de krant afgedrukt. Van de naar schatting 150 componisten zijn er vijf nog levend (Andriessen, Glass, Gorecki, Ten Holt, Pärt), de rest is dood (of ik ken ze niet). Wat is er toch mis gegaan met ons of met de muziek, dat we alleen maar het verleden waarderen? In literatuur en beeldende kunst doet zich dat verschijnsel toch in veel mindere mate voor.

En dan lijkt er wel een voorkeur voor droevige muziek. Waarom toch vloeien de tranen gemakkelijker bij het horen van het Stabat Mater van Pergolesi, Henry Purcell’s O let me weep of de melancholieke Vier letzte Lieder van Strauss – dan dat wij een vreugdedansje maken bij Saint-Saëns’ Le carnaval des animaux, Rossini’™s ouverture Le gazza ladra of, voor mijn part, bij Rodger’s My favorite things? Het antwoord op die vraag is aan psychologen voorbehouden. Wij hopen maar niet dat hun antwoord is dat het huilen ons nader staat dan het lachen!

De mooiste afsluiting van muziek stamt uit de renaissance- en barokperiode. Een compositie in mineur wordt daar vaak pralend, stralend beëindigd met een majeur-akkoord. Die zogenaamde ‘Picardische drieklank’ verjaagt alle somberheid en geeft uitzicht op een betere toekomst.

Lassus: Monument

Pelléas et Mélisande is de enige opera die Claude Debussy (1862-1918) schreef. Een middeleeuws kasteel, fonteinen, een grot, twee broers die van hetzelfde meisje houden, een verloren ring…

Wegwezen!, hoort Lassus jullie al roepen. Da’s niks voor mij. Je hebt, vrees ik, gelijk. Want wie zo reageert, heeft zijn standpunt vooraf al ingenomen, en is dan niet gauw bereid zich van een andere visie te laten overtuigen.

‘Een uniek en onnavolgbaar monument van de muziekgeschiedenis’, staat in het programmaboek. Geen bel canto, geen aria of ouverture, geen schallend koor op het toneel, geen romantische gevoelsexplosies à la Puccini of Verdi – nee, kleuren, kleuren, een schitterend nieuw en rijk harmonisch palet vol zeldzame klanken en patronen waarbij ieder woord van de zangers verstaanbaar is, iedere zin door de muziek een verhoogde werkelijkheid krijgt: ‘een wonderbaarlijke wereld, een gekoesterd paradijs waarin wij aan al onze zorgen konden ontsnappen’, dat was de mening van de jeugdige bezoekers die de première in 1902 vanaf het schellinkje van de Parijse opera bijwoonden, in tegenstelling tot de directeur van het conservatorium die zijn studenten verbood de voorstelling te bezoeken…

Natuurlijk, dat verhaal is driemaal niks, misschien dat literatuurhistorici nog iets zien in dit schoolvoorbeeld van een stroming die het ‘symbolisme’ wordt genoemd. Maar de muziek, de muziek! Die gaat over alles heen, die neemt je mee, die doet je geloven in de onschuld van Mélisande, in de zuiverheid (en een beetje onzuiverheid) van de liefde van Pelléas, in de woede en het berouw van Golaud die zijn halfbroer heeft neergestoken, in de wijsheid van de oude Arkel, ja, die muziek doet je geloven in heel die idiote poppenkast, die muziek grijpt je bij de keel.

Koop nou eens een kaartje voor een concert waar ze van dezelfde componist L’aprés-midi d’un faune of La mer geven. Of koop een cd waarop de Préludes voor piano worden gespeeld. En dan niet wegwezen, maar er helemaal bij zijn. De klankwereld van Debussy opent de poort naar een nieuwe tijd.

Op het gehele aanbod aan Furutech Evolution II kabels krijg je de hele maand december 10% korting bij je Furutech dealer!

Furutech staat bekend om hun uitgekiende toepassing van verschillende materialen om het signaal zo vervormingsvrij mogelijk door te geven. En nee, dit wordt niet alleen gezegd maar ook duidelijk toegepast: in de Evolution II Series worden bijvoorbeeld carbon deeltjes toegepast in het speciaal ontwikkelde dielectrum. Dit is geinspireerd op de veel duurdere Flux-series en hiermee worden resonanties in de kabel optimaal gedempt. Verder zijn de kabels afgeschermd (behalve de speakerkabel) om storingen van buitenaf optimaal uit te sluiten.

Zowel de kabel zelf als de toegepaste Furutech pluggen zijn behandeld met Furutech’s α(Alpha)-proces: demagnetisatie en diep-cryogene behandeling. Hierdoor zijn alle metalen onderdelen volledig non-magnetisch en intern zo ‘stabiel’ mogelijk.

Maar eigenlijk is bovenstaande allemaal niet belangrijk, het gaat om hoe het klinkt. Wij ervaren met Furutech altijd meer grootsheid, kracht en energie in de muziek. Belangrijk is dat hierbij de rijkheid en natuurlijkheid optimaal behouden blijft en bijvoorbeeld intieme opnames nog steeds intiem klinken.

Deze aanbieding is geldig t/m 31 december 2009.