Blog
Zaterdagochtend, zo tegen half tien druppelden ze binnen in het buurthuis, een stuk of 20, 25 medeburgers uit alle windstreken, met viool- en cellokisten onder de arm, een paar fluiten, een hobo, zelfs leek er wel een fagot te worden meegedragen, en ook was er een contrabas compleet met eigen kruk. Een echte buitenlucht-jongen die niets meedroeg, kwam ook aanfietsen. Hij bleek de dirigent te zijn.
‘Repetitie, gestudeerde partij, standaard en een broodje meebrengen, om 10.30 koffie, om 1 uur lunch, en om 3 uur houden we op’. Zo was het geregeld. Even stemmen – de eerste violiste ging professioneel rond met haar van de hobo afgenomen a – en daar ging-ie. Het openingskoor (nog zonder koor, dat werd vooralsnog elders gerepeteerd) van Bachs Magnificat (BWV 243) spoot tegen de bakstenen muren. Wat ruw, zeker, wat vals hier en daar, wat ongelijk, ook, maar wat een prachtmuziek, meteen!
Zes uur later vertrokken we, warm gespeeld, dankbaar dat onze dirigent, een rasmuzikant, ons wat fijne kneepjes had geleerd, dankbaar dat we de lessenaar deelden met een geschikte kerel die ons een paar goede vingerzettingen gaf, dankbaar vooral dat we deel hadden aan de wereld van de muziek zelf, dat we konden meehelpen die prachtige schepping van de oude meester vorm te geven.
‘Tot over veertien dagen’, klonk het. We verheugden ons er al op.
Wat een voorrecht om in een land te wonen waar – je gelooft het niet – tweehonderd-zesenvijftig orkesten lid zijn van de ‘Federatie van Amateur-symfonie-orkesten’, dat zijn dan toch enkele duizenden mensen die er graag hun vrije tijd en wat geldmiddelen voor over hebben om zo af en toe alle dagelijkse sores achter zich te laten en een aantal uren in het zuivere licht en lucht van de muziek te verblijven.
I’m not kidding. It’s my theory, but I think it’s solid. I use no wild speculations in my arguments, and I have seen plenty of evidence.
Our complex hearing system has a natural preference for harmonic relationships, and it is perfect for detecting and interpreting them. For instance, our ears do not detect sound as a single wave (like a microphone membrane), instead the different frequency contents each have it’s own detector (lots of microphones tuned for different frequencies).
Each sound fires a group of neurons. Sounds with harmonic patterns synchronically fire a group of neurons related to that pattern. As we hear natural acoustic sounds and voices all our live (already starting in the womb), these patterns are reoccurring, so they are imprinted in our aural memory and we get to recognize them. Hearing sound with a certain imprinted harmonic structure will activate other parts in our brain (by firing neurons in their turn), creating an aural sensation. If you experience a timbre of tonal color often enough, it gets neurally linked to other experiences or emotions. This explains how aural sensations can become intense and give unique subjective experiences, feelings, meanings. What sounds natural and what sounds pleasant is imprinted in our brains.
Very few audio systems can reproduce the harmonic relationships accurately. Although we usually can tell what instruments we hear, we can also tell that it’s reproduced instead of realistic. Impressive sounding (high-end) systems might fool you for a while, but usually not for long (unless you do not wish to hear the truth). Especially in high-end systems the sound is often manipulated, resulting in poor harmonic coherency. Typical high-end sound can be described as high contrast black-and-white reproduction, full of sharp details but without color.
When listening to reproduced music often, and rarely to (acoustic) live music, your reference of what sounds natural could seriously get distorted. When hearing unnatural, harmonically distorted sounds with certain (dis)harmonic relationships (which reoccur often), the brain gets (re)programmed in the same way as natural sounds were imprinted. A sensation of a certain timbre can fade if you rarely hear it (neural connections will break if their patterns are never fired).
Of course, a persons ability to hear tonal colors could be poor in the first place, especially when they grew up by hearing reproduced music only, and did not experience (acoustic) live music often. But we all have the neural connections for natural sounds (which were mainly build during our early life). The natural sounds that surround us in our daily lives offer a rich palette of timbres too, they are a good reference for judging audio systems. The reproduced sound should be able to blend in with any natural sounds you can in hear your room. Usually it does not blend in well, because different reproduced sounds all share the same signature, they all can be recognized as somewhat mechanical, restricted, coming from the same system. Natural sounds offer much more variety in colors and textures, they are fluid, free, palpable, tangible, 3-dimensional, dynamic and relaxed at the same time, they are transparent but offer real substance at the same time. It is no coincidence that we can perfectly differentiate a source by it’s timbre. We can still do that when we hear many sounds/timbres at the same time, we automatically group those frequencies together which have a harmonic relation, so we perceive them as one sound/timbre instead. This wonderful system enables us to differentiate, interpret and understand what we hear. And it’s very useful for judging audio.
Being reprogrammed by ‘system sound’, the audiophile brain can probably experience and maybe enjoy some new sensations, but the sad thing is that they’ve reduced the intensity of those sensations which are the essence of music, and enjoying music.
Onderstaand verslag schreef hifi.nl over onze demonstratie op de VAD-show van 17, 18 & 19 oktober 2009. De tekst is letterlijk geciteerd van hifi.nl.
1 correctie op onderstaande tekst: de genoemde Reference 3A is niet aan ons (Audio-Life’s) pakket toegevoegd, maar aan die van Beta Audio!
Bij Audio-Life ging ik eens kijken wat de laatste toevoegingen aan het Furutech programma waren. Aangenaam verrast was ik toen ik daar, binnengekomen in een wat duistere maar zeer smaakvol aangeklede ruimte, ook een heerlijke set van 47 Labs, Manley en WLM mocht aanschouwen en beluisteren. Ik zeg meteen dat deze demo mijn aandacht voor Furutech even volledig deed vergeten!
Lovenswaardig is de keuze van de gedraaide muziek. Het moet mij van het hart dat de meeste exposanten zich wat die muziekkeuze betreft nauwelijks onderscheiden van elkaar. Overal hoor je mooi opgenomen maar verder weinig uitdagende jazz en vrouwenvocalen. Op zich niet heel erg en het laat natuurlijk wel bepaalde aspecten van het geluid goed beoordelen, maar dat ken ik dan na vijf, zes stands wel. Hulde dus aan Audio-Life waar je gewoon Primus, Jimmy Smith (live opname uit ’72) en Calexico hoort. Ook dát klinkt beter op een erg goede set, zo eenvoudig is het!
Leuk is ook te melden dat sinds zéér onlangs ook Reference 3A aan het merkenpalet is toegevoegd, hetgeen mij niet zonder gepaste trots werd meegedeeld. Ook dit zijn, net als WLM, luidsprekers met een bovengemiddeld rendement, wat de aansturing met buizen een makkelijker en misschien zelfs logische keuze maakt.
Beta Audio
Beta Audio Service speelt met een combinatie van Manley elektronica en WLM speakers. De ruimte is behoorlijk gevuld met luisteraars. WLM ofwel Wiener Lautsprecher Manufaktur heeft mij vanaf de eerste introductie op de VAD enkele jaren geleden geboeid en vermaakt. Vermaakt in de zin dat ik eigenlijk iedere demo die ik hoorde met WLM een erg muzikale demo vond. Dat is een groot compliment.
Ook hier is het genieten geblazen. Het hoge rendement gecombineerd met de subtiele en toch krachtige aansturing van de Manley Neo Classic monoblokken is een fijne match. Als bron hoor ik voor het eerst (ja ook voor een redacteur van HiFi.nl zijn er eerste keren!) een speler van 47 Labs. De mensen van Audio-Life weten waar ze mee bezig zijn, want dit geeft een mooi rustig en vooral ook muzikale bron in deze set. “

Harmonics – basic tone with 6 overtones
The essence of music is in harmonics. Sound is a complex mixture of basic frequencies and higher harmonics. When the overtones are close to even multiples of the basic tone, we don’t hear separate sounds. Our brain miraculously interprets such mixtures as one tone (one pitch), but with a certain timbre or tone color. Our complex hearing system has a natural preference for harmonic relationships, and it is perfect for detecting and interpreting them. For instance, our ears do not detect sound as a single wave (like a microphone membrane), instead the different frequency contents each have its own detector (lots of microphones tuned for different frequencies).
There’s a wide variety in timbres or tonal colors. Instruments can be recognized by their unique mixture of tones and overtones. But there’s more to timbre than just recognition. Timbres are able to produce various subjective sensations in our brain (warm, cold, organic, sterile, woody, metallic, fat, hollow, etc.), they are part of our subconscious and sometimes conscious experiences. If not accurately reproduced, we automatically identify that the sound is not part of our direct environment. We hear a loss of timbre, a bleaching of tonal colors. Our brains can not be fooled, there’s a clear difference between the endless variety in sounds that surround us in our daily lives and the more limited timbres that equipment can reproduce.
Of course there are other important qualities in audio, but many are directly related to timbre (dynamics, transparency, resolution), and these qualities on their own are not the limiting factor in a good system with good acoustics.
The rich variety of timbres can be recorded and reproduced accurately only if the harmonic structures ares kept intact. Each component in the chain has different behavior for different frequencies (non-linear). Note that we’re not talking about the linear frequency response. Frequency response on its own is relatively unimportant (acoustic sounds always sound live and perfectly natural, regardless of the acoustic environment). To judge audio on frequency response would be a ridiculous simplification. In reality a tone is not just a frequency, but a complex spectral composition of the basic tone with a range of overtones with different relative strengths and phases, fluctuating/changing in time. Timbre is a multidimensional quality. Dimensional research is complex and highly time consuming. So the most essential quality is not part of measuring practice in audio. Which declares why measurements hardly relate to listening experiences. (The inability to reproduce natural tonal colors means that the harmonic structures are distorted. Probably you have heard of THD, Total Harmonic Distortion, a commonly measured value, but this value has no relation with the ability to reproduce harmonics accurately.)
Timbre, harmonic coherency is extremely difficult to achieve and preserve. Once lost, it can not be recovered. It is impossible to tune an element in the chain for reproducing tonal colors, unless the rest of the chain is perfect already. Just one ‘black-and-white’ element will break a full color chain. Systems that are able to reproduce a large variety of timbres are extremely rare. Each system has its own sound signature, and so-called neutral sounding systems are usually just boring, hardly able to reproduce natural tonal colors.
A large part of the audio community (designers, manufacturers, reviewers, audiophiles) seems to concentrate on other qualities. The lack of realism is compensated by creating an impressive sound (instead of reproducing what’s impressive). This leads to typical ‘high-end’ sound: edgy highs, thin midrange and over-damped bass, this flavor mimics qualities like transparency, resolution, dynamics, greatness, scale.
But manipulation leads to more loss of timbre (loss of harmonic coherency). And the frequency extremes get disconnected from their source (instruments), losing all tangibility and realism. As a result ‘high-end’ sound has a short attention span, and usually leads to an endless search in the wrong direction.
We zijn zeer trots de distributie van JM Reynaud in Nederland te hebben verworven!
Het zal bekenden van ons niet ontgaan zijn dat we altijd al een zwak hebben gehad voor het Franse Jean-Marie Reynaud, dat inmiddels zijn 40-jarig bestaan al heeft mogen vieren. Voor iedereen bij Audio-Life is de “zoektocht naar een magisch geluid” rond 2003 begonnen toen we de JM Reynaud Offrande leerden kennen. We hadden toen, en tot op de dag van vandaag, nog nooit een luidspreker gehoord waarbij zoveel emotie wordt overgedragen en waarin de warmte uit de opname zo sfeervol weergeven wordt. Iedere Offrande bezitter zal dit beamen en de meesten zullen ‘m nooit meer weg doen.
Elke JM Reynaud luidspreker bezit deze zelfde essentie, waarbij het gaat om de perfecte overdracht van emotie, passie en sfeer met een zeldzame rijkheid aan natuurlijke timbres/klankkleuren. Bij het horen van de luidsprekers kun je je meteen voorstellen dat de ontwerper een echte muziekliefhebber is, die z’n “vrije tijd” in concerthallen doorbrengt.
Alle huidige JM Reynaud luidsprekers berusten op het transmissielijn principe. Dit is een moeilijke en kostbare methode, wat precies de reden is waarom je dit principe niet veel tegenkomt. JM Reynaud heeft echter een vernuftige en unieke driehoekstransmissielijn (“ligne triangulaire”) ontwikkeld, die alleen door deze Franse luidsprekerbouwer wordt toegepast. Door nauwkeurige berekeningen heeft deze exact de juiste afmetingen, wat van groot belang is bij een dergelijk ontwerp, en is gehoormatig getuned. De transmissielijn komt uit op een rechthoekige poort aan voorzijde, afgestemd zodat het laag precies in fase loopt met de overige frequenties. De kasten bevatten intern geen parallelle zijden waar directe reflecties kunnen ontstaan; gecombineerd met de unieke en exact afgestemde transmissielijn kan de hoeveelheid demping hierdoor sterk verminderd worden ten opzichte van vergelijkbare ontwerpen. Zo kan het laag weergeven worden met alle controle en diepte, maar ook volledig energiek, dynamisch en rijk, op alle volumes.
JM Reynaud luidsprekers zijn makkelijk tot zeer makkelijk aan te sturen en vereisen dus geen krachtpatsende versterking. Het belangrijkste dat ze vragen is een bron en versterker waarbij zoveel mogelijk natuurlijkheid en rijkheid doorgegeven wordt, want in het weergeven daarvan zijn de Reynauds goed zoals geen ander.
De luidsprekers bieden hiermee een uniek perspectief op hoe een ‘live’ muziekervaring in huis gehaald kan worden en behoren tot de allerbeste verkrijgbaar. Daarom zijn we zeer trots JM Reynaud te mogen toevoegen aan ons distributiepakket!
Vanaf nu kan voor informatie en aanschaf daarom contact worden opgenomen met Audio-Life of een van onze dealers. Andere merken in het pakket van Audio-Life zijn Furutech, 47 Labs, Audio Note, Sun Audio/Tamura, Goto, Garrard/Loricraft en Audio-Consulting.
Rond de beste 300B buis ter wereld zijn er altijd sterke verhalen. Zo was er het gerucht dat, sinds de herstart van de productie, het project alweer stopgezet was. Prijzen op Ebay e.d. rezen daarna de pan uit. Maar het gerucht is niet waar..
Op de goede en informatieve website, TubeDepot, las ik het volgende, heuglijke bericht:
The Western Electric factory is moving to a new, dedicated location. Once established, the 300B line will be running to catch up on all back orders. Projected date for availability is March, 2009. If you order now, the soonest you will receive tubes is March, 2009. Thank you for your patience.
Het ziet er dus naar uit dat WE door blijft gaan met produceren van de 300B. Cool!
We gingen met 6 enthousiaste leden van Audio Club Velzen op naar Buren, in Gelderland. Ik had ze al lekker gemaakt over het hoge muzikale gehalte dat bij Audio-Life hoog in het vaandel staat, dus we hadden zo onze verwachtingen..
Ingezonden verslag (in navolging van “Knuppelstereo”):
Verrassing
Bij binnenkomst werden we verrast door de aanwezigheid van Hans Kortenbach, de ontwikkelaar en bouwer van de mooie Musical Affairs luidsprekers én Cees Pel de ontwikkelaar en bouwer van Pel Audio. Ook waren er lekkere hapjes en drankjes, die we te danken hadden aan de vrouw van Caspar. Caspar heette ons welkom en vond het heel leuk dat we de moeite hadden genomen om bij hen te komen luisteren, ondanks de afstand.
Opwarmset
We begonnen met de gloednieuwe Audio Note Zero set (cd-loopwerk, dac, versterker). De speakers waren ook van Audio Note, de AN-E/Lx HE met hennep woofers. Het klonk echt geweldig en zeer muzikaal. Alles was er en niets was overdreven, een set waar je lang naar kunt luisteren en echt van kunt genieten. Deze mening werd door iedereen gedeeld.
Pel Audio + Musical Affairs = 3
We gingen naar de volgende luisterruimte waar de Musical Affairs Grand Duetto speakers en de Pel Audio set stonden. Over de Grand Duetto’s hebben we een kleine uitleg gekregen van Hans Kortenbach. Het is een systeem met twee breedbanders van verschillende diameter (30 en 21cm). Ze zijn parallel aan elkaar gekoppeld en niet electrisch gefilterd. De 21cm wordt voor de hoge frequenties ingezet en is daarvoor akoestisch gefilterd. De conuschassis zijn gemaakt van klokkenbrons en de kast van 4 mm dun klankhout (Sitca Spruce en Oregon Pine) met op de juiste plek braces om ongewenste resonanties tegen te gaan. De kast zingt dus mee en dat geeft vooral met instrumenten een erg fraai en klankrijk geluid.
Werkelijkheidsweergave
De Pel Audio cd-speler, dac, bekabeling en buizenversterkers waren nog prototypes, maar er zijn plannen om het allemaal op de markt te brengen. Het wordt dan een versterker met een 300B buis. Cees heeft alles op het gehoor ontwilkkeld en heeft alle mogelijke combinaties, mogelijkheden en soorten onderdelen die je maar kunt vinden geprobeerd met de bedoeling zo muzikaal en natuurgetrouw geluid te reproduceren. Werkelijkheidsweergave noemen ze het bij Audio-Life en dat vind ik een goede benaming.
Samenvattend
Deze set klonk heel anders dan de Audio Note. Je hoort een mooie rijke klank en dat is geweldig. Een mooi groots geluidsbeeld en het gaat allemaal heel makkelijk. Het rendement van de breedbanders is heel hoog (98dB @ 1W/1m, 16 Ohm) zodat je met een kleine buizenversterker prima uit de voeten kunt.
Cees, Hans, Caspar, Remko en Joep, heel erg bedankt voor de ontzettende leuke avond, we hebben genoten van de muziek en de ontvangst was echt top!
Of je nu saxofoon, piano of viool wil spelen, iedereen kan leren de juiste noten aan te blazen, aan te slaan of aan te strijken. Natuurlijk, er moet misschien een paar jaar worden geoefend en het kan lang duren voordat de speler zonder kijken de juiste grepen doet, maar feitelijk is dat onderdeel van muziek maken een vaardigheid die niets van doen heeft met wat wij onder ‘kunst’ verstaan. Geen kunst aan, zeggen we dan ook (achteraf) van dit ambachtelijk onderdeel.
Nee, het geheim van de ware musicus ligt ergens anders. Dat kan je vinden op het mysterieuze moment waarop de toon ontstaat, het ogenblik van aanblazen, aanslaan, aanstrijken. Niet voor niets zitten de blazers eindeloos te mieren met hun embouchure, de pianisten met hun toucher en de strijkers met hun streek. Allemaal weten ze dat daar het antwoord ligt op de vraag waarom ze geen Chet Baker, geen Arthur Rubinstein en geen Yehudi Menuhin zijn. Net als op andere levensgebieden gaat het om het ogenblik vóór dat de schepping in gang wordt gezet, het ogenblik vóór dat de gedachte vorm krijgt, vóórdat het thema wordt opgeschreven of de kleur op het doek wordt gebracht: een minuscule inspiratie, intuïtie misschien, gevolgd door een voorstelling van klank of kleur die daar bij hoort.
Op dat alles bepalende eerste ogenblik is de mens (sta Lassus een gewaagd uitstapje toe naar de theologie) als de schepper (met of zonder hoofdletter) zelf.
Je weet heus wel dat het een verkleedpartij is, en daarom kan een z.g. ‘semi-scinische’ uitvoering veel plezier geven, zeker als er niet alleen vóór het orkest op het podium wordt gezongen en geacteerd, maar ook nog op de trappen en in de zaal. Bovendien – tja, dat is voor Lassus nu eenmaal het belangrijkste – klinkt de muziek het beste in zo’n prachtige akoestiek als die van het Concertgebouw, veel en veel beter dan in welke orkestbak ook.
En wat voor muziek! Wat een veerkracht, wat een energie, wat een feestelijke vitaliteit, en dat voor een tachtigjarige componist! Falstaff (een levensgenieter en losbol, geïnspireerd op een figuur uit Shakespeare’s De vrolijke vrouwtjes van Windsor) van Giuseppe Verdi is een wonder: het koper klinkt dramatisch, de strijkers lieflijk of speels, de houtblazers geestig en virtuoos, en dat alles in een voortdurende stroom van esprit en vindingrijkheid. Goed, het verhaaltje is driemaal niks, maar toch, ineens weet ik het weer: opera is de meest opwindende kunstvorm die er is, en genialer muziek dan de exuberante slotfuga van Falstaff is nooit geschreven.
Tot ik weer zo’n nietige, tweestemmige Invention van Bach hoor…
Wagner – boekenkasten vol zijn er over hem geschreven, en nog steeds is het eigenlijk niet mogelijk de onaangename klem te verklaren waarin zijn muziek zo velen weet te nemen.
Ik schrijf dit na het horen van een pianobewerking voor vier handen van de Siegfried Idyll uit de opera Siegfried, de derde van de vier avondvullende opera’s (op eigen verheven, maar tweederangs libretto’s die samen een wereld van onzinnige Germaanse mythologie vormen) die samen de Ring der Nibelungen heten. Het zijn maar een paar motieven en thema’s waar hij ons mee weet bezig te houden, maar het is net als een verslaving, je verlangt steeds weer naar die paar vileine akkoordopvolgingen, melodieën zonder einde, en je krijgt ze ook, dat is het mooie.
Dat hij niet deugde, dat weten we zo langzamerhand wel, een antisemiet en een klaploper, en allebei niet zo zuinig ook. Toch betwijfel ik of het die wetenschap is die ons zo dubbelzinnig tegenover zijn geniale, maar zowel afstotende als fascinerende muziek doet staan. Muziek, het is toch een kunst die boven goed en kwaad staat, of zou je er toch de grondmotieven van het karakter van de componist uit kunnen horen?
Het is een oude, onbeantwoorde vraag.
Zo oud als de 96-jarige Taiwanees aan wie vorige week het masterdiploma filosofie werd uitgereikt (‘Ik speel geen mahjong en vond dat ik iets met mijn leven moest doen’) is de pianist Menachim Pressler nog niet, maar het was toch indrukwekkend om de 85-jarige oprichter van het Beaux-Arts-trio (meer dan 7000 concerten sinds 1955!) een paar stukjes Chopin en Debussy te zien en te horen spelen. Hij had nog geen last van artritis, verklaarde hij, en het onverminderde verlangen anderen in de vreugde van de muziek te laten delen, hield hem jong.
De volgende dag werd hij nog eens in het zonnetje gezet met een opname van het langzame deel uit Mendelssohns eerste pianotrio, een evergreen die altijd weer scoort. Die componist had voor zijn twintigste jaar al een stapel bekoorlijke symfonietjes geschreven naast onvergankelijke meesterwerken als het octet voor strijkers en zijn vioolconcert. Over Mozart hebben wij het dan maar eens niet. En, weer aan de andere kant, de Amerikaanse componist Elliot Carter werd vorig jaar 100 en schrijft nog het ene stuk muziek na het andere.
Speelt iemand op latere leeftijd beter of minder dan in zijn jeugd? En is werk dat later gemaakt is, beter dan jeugdwerk? Je zou zeggen van wel, ervaring en levenswijsheid moeten toch een belangrijke factor zijn. En toch, de bravoure van de jeugd (bijvoorbeeld Richard Strauss in Don Juan), de frisheid van de vroege eenvoud (bijvoorbeeld Haydns eerste strijkkwartetten) kunnen het gemakkelijk opnemen tegen de bezadigde, verzadigde klanken van de oudere componist (Richard Strauss in Vier letzte Lieder en Haydns Die Schöpfung).
Inspiratie komt van heel ver en haar verklanking wordt, blijkbaar, maar ten dele beïnvloed door de levensloop van de mens aan wie zij wordt geschonken.
Zo oud als de 96-jarige Taiwanees aan wie vorige week het masterdiploma filosofie werd uitgereikt (‘Ik speel geen mahjong en vond dat ik iets met mijn leven moest doen’) is de pianist Menachim Pressler nog niet, maar het was toch indrukwekkend om de 85-jarige oprichter van het Beaux-Arts-trio (meer dan 7000 concerten sinds 1955!) een paar stukjes Chopin en Debussy te zien en te horen spelen. Hij had nog geen last van artritis, verklaarde hij, en het onverminderde verlangen anderen in de vreugde van de muziek te laten delen, hield hem jong.
De volgende dag werd hij nog eens in het zonnetje gezet met een opname van het langzame deel uit Mendelssohns eerste pianotrio, een evergreen die altijd weer scoort. Die componist had voor zijn twintigste jaar al een stapel bekoorlijke symfonietjes geschreven naast onvergankelijke meesterwerken als het octet voor strijkers en zijn vioolconcert. Over Mozart hebben wij het dan maar eens niet. En, weer aan de andere kant, de Amerikaanse componist Elliot Carter werd vorig jaar 100 en schrijft nog het ene stuk muziek na het andere.
Speelt iemand op latere leeftijd beter of minder dan in zijn jeugd? En is werk dat later gemaakt is, beter dan jeugdwerk? Je zou zeggen van wel, ervaring en levenswijsheid moeten toch een belangrijke factor zijn. En toch, de bravoure van de jeugd (bijvoorbeeld Richard Strauss in Don Juan), de frisheid van de vroege eenvoud (bijvoorbeeld Haydns eerste strijkkwartetten) kunnen het gemakkelijk opnemen tegen de bezadigde, verzadigde klanken van de oudere componist (Richard Strauss in Vier letzte Lieder en Haydns Die Schöpfung).
Inspiratie komt van heel ver en haar verklanking wordt, blijkbaar, maar ten dele beïnvloed door de levensloop van de mens aan wie zij wordt geschonken.