Blog

Dropdown - blog

Ik ken haar al uit de tijd van de lagere school. Maar het vreemde is, al gaan wij nu bijna zeventig jaar met elkaar om, er blijven toch altijd witte plekken op de kaart, er zijn in haar altijd nog onbekende gebieden waar ik niet gemakkelijk in doordring. Lukt dat de ene dag wel, de andere dag is zij ontoegankelijk.

Ligt het aan mij of aan haar dat het contact dan niet te leggen is? Wat ik ook doe, ik praat vriendelijk tegen haar, ik omarm haar met voorzichtige gebaren, streel haar mild en zachtmoedig, maar ze geeft zich niet, gromt wat terug met hese stem en geeft vreemde antwoorden op toch duidelijke vragen.

Dan dus maar wat harder aangepakt. Dat, helaas, leidt al helemaal niet tot een prettige conversatie. Ze verzet ze zich nu met kracht, het lijken wel de geluiden van een wolf die ze uitstoot, en van de weeromstuit vind ik helemaal niet meer de juiste toon en zie maar af van een verdere poging tot contact. Ga jij maar in de hoek!

Gelukkig, zonder aanwijsbare reden (wist ik maar waar die wispelturigheid vandaan kwam) is ze een volgende dag mild gestemd, ze klinkt ineens harmonisch, en doet precies wat ik wil. En in reactie daarop forceer ik niets, en wij hebben een gaaf gesprek zonder wanklank of valse bijgeluiden. Was de stemming maar altijd zo mild!

Ja, de cello is mijn beste vriendin.

Het eerste strijkkwartet van de Tsjechische componist Bedrich Smetana, getiteld ‘Uit mijn leven’, is een bijna schaamteloos mengsel van doorgemaakt leed -overleden kindertjes-, Tsjechische volksmuziek en van sowieso een romantisch levensgevoel. Vooral in het langzame tweede deel staat de componist schitterend te snikken, en gezegd moet worden dat het mij onbekende Kuss-kwartet het verdriet tot de laatste druppel wist te verklanken.

Goede smaak en distinctie, darvoor moet je eigenlijk bij de Fransen zijn. Maar een enkele keer kan je daar zo ontzettend genoeg van krijgen, dat het soms heerlijk om de gevoelens zo breed uitgemeten te krijgen als hier.

De wereld van het strijkkwartet met zijn gave, unieke klankbalans van twee violen, een altviool en een cello is een apart universum. Wie daar aan heeft deelgenomen is een rijker mens dan de miljoenen die dat niet gegeven is geweest: strijkkwartet spelen (Lassus deed het langer dan een halve eeuw) heeft meer dan alle andere vormen van muziek maken iets van een ritueel, van een samenzwering, van een geheim spel, of je nu samen een jaar lang zit te ploeteren om een van de zes Bartok-kwartetten redelijk te verklanken, of dat je je tot taak gesteld hebt iedere week een ander strijkkwartet te spelen van de 78 die Haydn voor deze combinatie schreef.

De eerste viool, de voorzanger en de baas van het spul (of je het wil of niet), de tweede viool, de maior domus die de glorie van de eerste zingt, de altviool, de grote spelverdeler tussen ‘boven’ en ‘onder’, en de cello, het fundament waar alles op rust – samen moeten ze het doen. Moeilijk genoeg: ‘Samen spelen is inleveren’, kreeg ik eens van een docent te horen..

Het lijkt wel het echte leven.

Na een grote, huiselijke verbouwing werd het tijd voor échte muziek. Compleet blanco ben ik in audiowinkels gaan luisteren. De Tannoy DC4T’s in combinatie met Rotel spraken mij aan met het budget dat ik ter beschikking had. Vooral de vormgeving van de luidspreker gaf mij zelfs enige verliefdheid. Om andere combinaties met de Tannoy’s te kunnen horen en ook de prijs te checken ben ik gaan zoeken op internet. Hier trof ik Audio-Life.

En ja, dan maak je een afspraak om te luisteren. Een boeiende avond in het buitengebied. Per abuis parkeerde ik mijn auto onderaan het talud nabij de luisterstudio van Audio-Life. Het uitstappen uit mijn auto ging moeizaam. Na veel gedoe met politie en brandweer heeft de sleepdienst de auto eruit gehaald en zijn wij lekker gaan luisteren.

Na enkele uren luisteren wist ik waar ik mee ging instappen. De Tannoy DC6T, Marantz CD5003 cd-speler, PM5003 versterker met interlinks en luidsprekerkabels van 47 Labs. Het inspelen in ons gerenoveerde huis is begonnen. Helemaal super!

Lassus: Circus

Genieën waren ze niet, de hoge, nobele inspiratie die de Bachs, de Brahmsen en de Beethovens ten deel viel, werd hun onthouden. Maar wat de negentiende-eeuwse virtuozen ervoor in de plaats brachten, is (je mag het natuurlijk van veel mensen niet hardop zeggen) soms een verademing: de briljante schittering met ongekende capriolen op het instrument, de soms bijna platvloerse (en daarom zo heerlijke) sentimenten, de trapezekunsten van Paganini, Liszt, Kalkbrenner, Moscheles of hoe ze allemaal mogen heten – geniet daar maar van!

Lassus hoorde drie vrouwelijke kandidaten voor het Oskar Back Concours (Nederlandse violisten tot 30 jaar) hun kunsten vertonen en hij genoot van enkele werkjes van de Poolse violist Henryk Wienawski (1835-1880), een verademing na al die verfijning van Debussy en Ravel, na veel van die platgespeelde Mendelssohn en Mozart. Geef op die viool, hoor je Henryk zeggen, ik laat je wel even een Polonaise Brillante of een Fantasie Oriëntale horen. En dan ging hij er vandoor op zijn instrument, nu eens met tweehonderd kilometer door de bocht, dan weer kwijlend van overgevoeligheid. Pizzicato’s met handen en voeten, dubbelgrepen, dodensprongen van boven naar beneden en weer terug, heerlijk toch? Wat op zo’n stukje hout (want meer is een viool echt niet) allemaal kan, een feest was het, die meiden (dat is toch het jargon van 2009?) te horen en te zien, of ze een kous aan het stoppen waren, zo gemakkelijk leek het allemaal!

Er is geen menselijk gevoel dat niet in muziek is uit te drukken.

Vaak had ik hem gehoord, de vierde en laatste symfonie van Johannes Brahms, maar ondanks het feest der herkenning leek het vorige maand wel of het de eerste keer was: ik ben er wel zeker van dat het vermogen tot concentratie, tot aandachtig luisteren met de jaren toeneemt.

Natuurlijk kende ik alle thema’s, wendingen en doorwerkingen. Maar de structuur, de veelstemmigheid, de prachtige tegenstellingen tussen het koper, de houtblazers en de strijkers – nu pas kon ik de grootheid, het echt ‘klassieke’ van deze muziek ten volle ondergaan. Velen achten het laatste deel, 32 variaties op een dalend thema (een zogenaamde ‘passacaglia’ of ‘chaconne’) het hoogtepunt van dit werk, maar voor mij is dat het tweede deel met het schitterende tweede thema (natuurlijk voor de cellogroep geschreven!).

Tja, het is wel echt Duitse muziek, ook zwaar in het lichte, zonder knipoog, zonder parfum. Zwarte koffie en een grote sigaar, daar bediende de componist – een levenslange vrijgezel die overigens een aantal vrouwen had bemind – zich midden in de nacht van, voordat hij zich aan zijn schrijftafel zette. En dat hoort bij deze ijzersterke, onverwoestbare muziek, die altijd weer herinnert aan de gouden glans van het licht in de herfst.

‘Koormuziek, wat krijgen we nou, wat moet ik dáár nou mee?’ denk ik een beetje schamper (en ook nog behoorlijk misplaatst) als ik een stuk of dertig in het zwart gehulde dames en heren het podium van het Concertgebouw zie betreden. Ik heb geen programma en meende de vierde Brahms te zullen horen, maar dit brengt zeker andere kost!

Ik zal je krijgen, jochie, moet de oude Sebastian daarboven gedacht hebben. Meteen al de stralende, vlekkeloos geïntoneerde inzet van het motet ‘Komm, Jesu, komm’ heeft een overrompelende werking, om niet te spreken over het sublieme, volmaakte weefwerk van al die stemmen dat er op volgt. Werkelijk, woorden schieten te kort om het wonder van die muziek te beschrijven: ze brengt je een tien minuten durend verblijf in een andere wereld, in een betere wereld, in -mag je het nog zeggen anno 2009?- de wereld van de engelen. Het zijn zeldzame momenten in een leven, gelukkig misschien maar, zulke momenten waarop muziek je doet beseffen dat het uiteindelijk -al is dat einde misschien nog heel ver weg- goed zal komen met ons allemaal.

Grote woorden, misschien. Maar ik meen ze.

Een volgende keer over de vierde Brahms, die na de pauze kwam!

Lassus: Rijk

Voor de verandering maakten wij een huisconcert mee op een wrakke verdieping in de Amsterdamse Pijp. ‘Ik ben maar van de catering, hoor!’ riep de gastheer, die zich voornamelijk in de vierkante meter keuken bezig hield met soep uit een tube warm te maken. Veertig, misschien wel vijftig mensen poogden onderwijl hun jassen kwijt te raken zonder in het trapgat te vallen, en persten zich samen op gehuurde klapstoeltjes, hét vaste attribuut van elk huisconcert.

Een Portugese cellostudente speelde Amerikaans geweld, trotse (groot)ouders luisterden naar onbewogen viool- en pianospel van 9-jarige meisjes, een moedige jonge vrouw met een wel heel mooi mantelpakje hanteerde de viool, een gedreven pianist-arrangeur speelde schitterende Engelse filmmuziek, en tot slot hoorden wij bekwame jonge musici in het klarinettrio van Brahms. Innig voldaan door zoveel moois (en de soep was ook heerlijk) keerden wij veel later huiswaarts.

Wat een rijk land, dat Holland, met zo veel muziek in soorten en maten, muziek die inderdaad geworteld is in, en gevoed wordt door ons en onze kinderen, of het nu de moeder is die in een koor zingt, de vader die nog steeds pianoles heeft of de zoon die in een rockbandje speelt: dat is de basis waarop zo veel getalenteerde vakmensen kunnen groeien en tot bloei komen. Natuurlijk, er is nog veel te wensen (denk eens aan de armoedige muziekeducatie op scholen, altijd, altijd het kind van de rekening, of aan de lessen op de muziekschool van 23 minuten inclusief jas uitdoen en instrument uit de hoes halen!). Maar desondanks kan je iedere dag van de week alle muziek horen die jij mooi vindt, in de plaatselijke concertzaal, in een gehuurde sportkantine, of op een wrakkige verdieping in de Pijp.

Afgelopen zaterdag 28 februari introduceerden we samen met importeur Beta Audio de hele dag door de nieuwe luidsprekers van WLM: La Scala. Wij vonden het een gave dag! En ook wij voelden ons verwend met allerlei lekkernijen (Bedankt, Karin).

De WLM’s speelden op verschillende apparatuur:

Zaaltje 1

  • WLM La Scala Monitors
  • Manley Stingray
  • 47 Labs Koma draaitafel
  • 47 Labs Tsurube toonarm
  • 47 Labs McBee element
  • Audio Note OTO
  • 47 Labs Shigaraki loopwerk + DAC

Opvallend genoten werd onder andere van een mooie opname van Frank Sinatra (Nice ‘n’ Easy). Deze kende nog vrijwel niemand, het resultaat is dat we er acht bestellen… Zoals we wel vaker meemaken klonk hier een rijker, tastbaarder geluid dan met de vloerstaanders in zaaltje 2.

Zaaltje 2

  • WLM La Scala
  • AMR CD77.1
  • Manley 300B voorversterker i.c.m. Snappers
  • 47 Labs Shigaraki versterker

Absoluut hoogtepunt in dit zaaltje was het prachtige spel van het Beaux Arts Trio. Bijna 10 minuten zat iedereen volledig in de muziek. Hier hoorde je vooral meer rust in de muziek en natuurlijk meer laag dan in zaaltje 1. Het leukste van de dag was eigenlijk dat er zoveel over muziek gepraat werd. Er zijn weer vele CD-titels opgeschreven en onze collectie favoriete CD’s is flink geslonken (natuurlijk niet onze eigen exemplaren; we hebben tegenwoordige mooie CD’s te koop staan, scheelt je weer een tripje naar de CD-winkel.

Voor iedereen die de muziek gemist heeft, dit was wat we draaiden:

  • Count Basie – 88 Basie Street
  • Bobo Stenson Trio – Cantando
  • Jimi Hendrix – Blues
  • Led Zeppelin – Remasters
  • Eric Vloeimans – Hyper
  • Neil Young – Live at Massey Hall
  • Calexico – Road Map
  • Bernocchi & Budd – Music for ‘Fragments from the inside’
  • Kelpe – Ex-Aquarium
  • Larry John McNally – Vibrolux
  • Nils Petter Molvaer – Streamer LIVE
  • Anour Brahem – Le Voyage de Sahar
  • Beaux Arts Trio – Beethoven: Piano Trios
  • The Lioness – Songs: Ohia
  • Red Hot Chili Peppers – Stadium Arcadium
  • Arve Henriksen – Chiaroscuro
  • Yamamoto, Tsuyoshi Trio – Midnight Sugar (van het Three Blind Label)
  • Ella Fitzgerald – Porgy & Bess
  • Tommy Emmanuel – Live One
  • Vampire Weekend – Vampire Weekend
  • Sonny Rollins – 9/11 Concert
  • Johnny Cash – At San Quentin
  • Air – 10000 Hz
  • Frank Sinatra – Nice ’n Easy
  • Nathalie Merchant – Motherland
  • Lord of the rings – The Complete Recordings
  • Leonard Cohen – Songs of Leonard Cohen

Lassus: 516

De telefoon ging: ‘Wat is dit?’ vroeg Audio-Life mij vanmorgen en liet wat vervormde klanken uit een autoradio komen..

KV 516 -vijfhonderd-en-vijftien composities had Mozart er aan vooraf laten gaan, dat alleen al!- is een strijkkwintet voor twee violen, twee altviolen en een cello, rijker en dieper van klank dan het traditionele strijkkwartet. En of je nu een fan bent van Heavy Metal, van Country Music of van New Orleans Jazz, wie het langzame derde deel en de inleiding tot het laatste deel van dit werk onbewogen kan aanhoren, moet zich spoorslags voor een diepgaand onderzoek naar de dichtstbijzijnde psychiater begeven. Lassus wil zich nog wel eens afzetten tegen heersende meningen, maar hier is een ondubbelzinnige uitspraak op zijn plaats, een uitspraak die door iedereen die twintig minuten kan luisteren, écht luisteren, zal worden onderschreven: mooiere muziek bestaat niet.

Was het de komende dood van zijn vader die hem tot deze grootse, tragische muziek inspireerde? De componist zelf was pas 31 jaar oud, of moeten wij zeggen: Ál 31 jaar -want hij had nog maar enkele jaren te leven..- Met enkele andere kwintetten kon je in 1787 bij het filiaal van de ‘Sallizinscher winkel op de grote markt’ in Wenen op de uitgave inschrijven, maar niemand had er belangstelling voor, hoewel Mozart de intekentijd tot 1789 verlengde. Het muzikale gehalte was te zwaar voor het Weense publiek: ‘Jammer dat hij zich in zijn kunstige, werkelijk mooie deel vertilt om een nieuwe schepper te worden, waarbij gevoel en hart weinig winnen… hij heeft een duidelijke neiging naar het zware en ongewone!

Ja, dat kan je wel zeggen. Ook in het gezwind voortsnellende eerste deel en zelfs in het ongewone menuet is een ondertoon van melancholie te bespeuren, en pas het rondo van het laatste deel bevrijdt ons van de last van het ‘menselijk tekort’, van de ‘condition humaine’, die in de langzame delen op onnavolgbare, onbeschrijfelijke wijze in klank is omgezet.

Als de knorrepot Brahms desondanks zijn hart laat spreken, is hij op zijn best, en daarom besloten wij de bewerking voor cello en piano van zijn vioolsonate opus.78 weer op het programma te nemen. Het was jaren geleden dat we het werk een aantal keren hadden uitgevoerd, maar nooit tot tevredenheid.

Het wonder dat je altijd verder kunt komen.

Wij namen eertijds gevreesde en bijna onoverkomelijke technische obstakels met een gemak of ze er niet waren, maar anderzijds ontmoetten wij ook talloze nieuwe, vooral ‘muzikale’ problemen (alsof techniek en muziek tegenstellingen zouden zijn: nee hoor, een toonladder is ook muziek, kijk maar naar de klassieken, een-en-al toonladders!) die we tot onze verbazing eerder nooit hadden beseft: vragen van frasering en stemvoering, maar ook, heel gewoontjes, van precies gelijk spelen en naar elkaar luisteren. Ja, Bijlsma, onze held, zei het al: studeren is luisteren! Hoe kan het dat je maanden aan zo’n werk hebt besteed en toch nog aan zo veel voorbij gaat? Maar ook, dat je het dan maanden laat liggen en dat het blijkbaar in stilte groeit, kiemt, zich voorbereidt op een nieuwe leven – als het zaad dat onder de grond, in de duisternis en de winterse kou, krachten voor de zomerse bloei verzamelt.

Het zijn de zeldzame geluksmomenten van de musicus, de paar maten, de frase die helemaal lukt. Zo zou het altijd moeten, denk je, al spelend. En dat is dan meteen de oorzaak van, op zijn best, een mislukte octaafsprong daarna of, op zijn slechtst, een geheugenstoornis!

Lassus: Wolken

In 1872 schilderde Claude Monet (32 jaar, alpinopet, slordige baard, op dat ogenblik nog niet twee vrouwen) De haven van Argenteuil, een schilderij dat mij letterlijk de ogen voor het impressionisme heeft geopend.

Het is een vissersdorpje aan de Seine, veel haven is er op het schilderij niet te bekennen, daarentegen wel veel, veel lucht, wolken, grote en kleine, de hogere schapenwolkjes, een grijstint (wat rook uit enkele schoorsteentjes), veel wit en blauw er tussendoor, wat een prachtige luchten! En het contrast ligt in de schaduw van de bomen aan de linkerzijde van de ‘virtuele’ plaats van waaruit de schilder keek, de schaduw die over het pad valt op het naar het water aflopende gras. Een wonder van een schilderij.

Over Fêtes, het tweede deel van Debussy’s Trois Nocturnes, schreef ik al eens een stukje. Dit gaat over deel 1, dat Nuages heet. Onnavolgbaar is het begin van die Wolken – in strikt gelijke notenwaarden schuiven de accoorden langzaam voorbij en langs elkaar, op weg naar de einder, twee hobo’s en twee klarinetten, het is niet te begrijpen hoe iemand het natuurproces van een stil, maar voortdurend wisselend wolkenlandschap zo in klanken kon vatten.

Geen menselijk leed of andere grote of kleine emoties, niets van het individualisme van de romantiek en van het latere expressionisme aan het begin van de 20e eeuw, nee, Debussy schildert ons in zijn diepe verbondenheid met de krachten van de natuur dit soort processen, de ontbotting, de groei, de terugkeer naar de aarde, ook de geuren en de kleuren, en de stroming van water, hetzij als zeewater in La mer, hetzij als regen (Jardins sous la pluie, Tuinen in de regen) en ja, ook als wolken.

Een zeldzame vernieuwer, een moeilijke man met een moeilijk leven, maar trouw tot het einde aan de opdracht die hij als kunstenaar had, zelden tevreden, tot het laatste ogenblik schavend en kleurend met eigen nieuwe middelen en technieken aan een oeuvre zonder weerga—en voor wie de kleine moeite neemt dat oeuvre te waarderen, gaat de wereld van de toekomst in de muziek open.

‘Ik hoop dat het nageslacht mij beschouwt als de tijdgenoot van Claude Debussy… Er zijn kruispunten waar de kunstvormen elkaar ontmoeten’ (Claude Monet)

‘Je zou mij een grote eer bewijzen door mij een leerling van Monet te noemen’ (Claude Debussy)