Blog
Het is een foto, maar uit de houding van de pianist – bovenlichaam iets naar rechts geneigd, hoofd een fractie omlaag – kan je zijn intense concentratie aflezen, misschien zelfs afleiden wat hij speelt! Wat kunnen gebaren van musici mooi zijn, en dat komt omdat ze onbewust worden gemaakt.
De rechterarm van de fluitiste met die knik omlaag bij de pols om de vingers op de fluit te kunnen laten rusten, prachtig! De handbeweging van de harpisten, niet alleen tijdens, maar ook na hun arpeggio; het even optillen van het hoofd en het strekken van de rug, vlak voor de inzet van de klarinettist; de blik omlaag van de violist die naar zijn eigen lange streek luistert: het is de onbewuste gestiek die hoort bij de concentratie van de vakman. Je hoort niet alleen dat hij of zij het kan, je ziet het ook.
Maar pas op voor dirigenten. Hun gebaar is geen bijverschijnsel, hun gebaar is hun vak, en je wordt er vaak mee bedot. Nergens is zo veel aanstellerij als daar. Hoe het wel moet? Nooit zal Lassus vergeten dat hij de legendarische walrus Pierre Monteux Stravinskyâs Sacre du Printemps, misschien toch wel de meest explosieve muziek van de twintigste eeuw, hoorde en zag dirigeren: vrijwel onbewegelijk, met een minuscule slag, maar met de gevarieerdste mimiek.
Het gebaar voordat de klank er is, het onthult zo veel. In een van zijn opstellen over muziek schreef Dick Hillenius eens dat het mooiste moment van de avond het ogenblik was waarop de dirigent het stokje hief om de inzet van Mozarts KV550 aan te geven. De samengebalde concentratie van de musici, samen met die van de luisteraars in de zaal, vlak voor het ogenblik dat aan de verwachting wordt beantwoordâ¦
En dat leidt ons naar het thema van de stilte in de muziek. Daarover een volgende keer.
Mijn hobby ben ik begonnen als jochie van een jaar of 10. Eerst met het 3-in-1 afdankertje van pa en heel, heel langzaam opgeklommen via allerlei, soms “duistere” merken als Akai, Philips, Aristona, JVC, Bose, Technics, Yamaha, Sony, T&A, Elipson, Audio-Analyse, Teac, Audio Synthesis en QED naar wat het nu uiteindelijk is geworden.
Ik ben ongeveer in 1994 besmet geraakt met het Audio Note virus. Via de Audioclub Nunspeet, waar ik destijds lid van was, hoorde ik dit merk voor het eerst gedemonstreerd en was direct verkocht.
Met een Soro SE versterker met AN-E/Sp begonnen, toen de Soro vervangen door de Meishu en later die weer door de ‘dubbele Meishu’, de P4 monoblokken. De cd-speler was een Teac VRDS-20 en werd een CEC-TL2x met Audio Synthesis DAC en een M3 voorversterker. Ik had nooit kunnen bedenken dat een voorversterker zo ongelooflijk veel invloed kon hebben op het geluid. Hij bracht nóg meer gemak, openheid en rust in het geluid.
Begin 2007 heb ik mijn “oude” AN-E/SP`s verkocht en een paar AN-E/SP`s gekocht in Bösendorfer fineer. Ze worden helaas niet meer gemaakt in deze prachtige afwerking.
September 2008 kreeg ik “an offer I couldn`t refuse”. Er werd mij toen een paar zeer fraaie Audio Note Ankoru mono-eindblokken aangeboden (70 watt klasse A, parallel single-ended 845), en ik kon ze niet weerstaan. Wat een krachtig geluid zetten deze jongens neer! Maar ook met heel veel rust in het geluid. Ze laten (nog) meer detail, (nog) meer lucht om stemmen en instrumenten horen die (nog) dieper en (nog) breder geplaatst worden.Maar alles lijkt vooral veel makkelijker te gaan.
Het is begin oktober 2008 als ik mijn voorlopig laatste audiofiele uitspatting doe. De CEC TL-0X is al jaren mijn favoriete loopwerk en nu kon ik hem voor een mooie prijs kopen. Waanzinnig, wat een apparaat, wat een geluid! Ik heb nu een tijdje naar woorden gezocht om het geluid van de TL-0X te beschrijven. Het is vooral veel realistischer. Wat me iedere keer weer opvalt is dat je met betere componenten vooral veel meer lucht koopt. Dat leest negatief maar zo klinkt het niet!
Gelovig of niet (meer), wie mist er niet de warmte en de verwachting die je als kind had als de kaarsen in de boom voor de eerste keer werden ontstoken en er op kerstavond even werd stilgestaan bij de aanleiding van het kerstfeest (zij het dat een vader of moeder een verhaal voorlas, of dat je zelf een kerstliedje mocht zingen).
Ja, kinderen die zingen, dat roept die sfeer weer op. Lassus was aanwezig bij de uitvoering van de kinder-kerstcantate ‘Het Blijde Uur’ van Sas Bunge (1924-1980) waarin traditionele kerstliederen worden afgewisseld met instrumentale intermezzo’s in een eigentijds muzikaal idioom, en meteen al bij het begin werd hij (en niet alleen hij) getroffen door de stralende, heldere klank die uit de kelen van bijna vijftig (Vrije-School-)kinderen kwam.
Vooraf hadden ze werkelijk vlekkeloos zuiver en met perfecte inzetten a cappella het aloude ‘Nu sijt wellecome’ in een vierstemmig canon gezongen (en waarachtig, de hemel, die toch eigenlijk voor bijna niemand meer bestaat, ging zowaar op die avond een beetje open!)
‘In den beginne’ was er dan wel het woord, maar direct daarna kwam de ‘muziek der sferen’, en het is niet zonder betekenis dat al die prachtige Italiaanse renaissance-schilders en beeldhouwers hun engelen uitrusten met harpen, vedels of fluiten. Muziek is de meest immateriële kunstvorm die er is – daar klinkt zij, maar waar blijft zij?
‘Het Blijde Uur’ was heel, heel veel langer.
Vroeg en donker is het, en de auto nog steenkoud. Een eindje verderop zie je al de file met zijn onvermijdelijke tentakels. Geen prettig vooruitzicht.
Ik draai de knop van de autoradio om. De omroeper kondigt aan Choros I voor gitaar solo van de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos (van die Koren) heeft hij er meer geschreven voor verschillende instrumenten. Van Zuid-Amerikaanse ritmes weet ik bijna niets, maar dat hoeft ook niet (bij de eerste klanken al word ik gegrepen door de ongelofelijke swing van deze muziek: daar kan geen jazz, geen westerse dansmuziek tegenop.)
Hoe kan het dat een simpele formule (want heus, veel meer is het niet) je lichaam – gevangen in de autogordel – doet verlangen naar vrije danspassen, hoe je de neiging voelt gas te geven op het superieure, echt verleidelijke ritme van deze vondst?
Een paars-witte steen uit Brazilië en een met verschillende houtsoorten ingelegd landschap dat zonder enige twijfel de Amazone-rivier voorstelt, dat is alles wat ik van dat land heb. Maar het warme, dansende hoofdmotief van dit stukje muziek (de componist was er zelf ook mee ingenomen, hij noch wij kunnen er genoeg van krijgen!) wekt ineens het verlangen daar te zijn, in het verre oord aan de andere kant van de wereld, het land waarvan het wezen in die vier, vijf minuten muziek is gevangen – en waar, nu bijna tachtig jaar geleden, mijn wieg stond.
Op een prachtige plek in Nederland ligt het plaatsje Hippolytushoef. In het centrum van dit dorp staat de Hippolytuskerk. In deze kerk worden regelmatig concerten georganiseerd. Net als vele andere kerken, kent ook de Hyppolytuskerk een hoog “echo gehalte”. Natuurlijk past en hoort zo’n soort geluid bij een kerk, maar het kan buitengewoon storend werken bij het geven van een concert. Op initiatief van Hans Kortenbach (muziekliefhebber en luidsprekerbouwer), die zelf uit Hippolytushoef komt, is er een flexibele oplossing bedacht welke de akoestiek sterk heeft verbeterd.
In eerste instantie waren de reflecties in de kerk dermate storend dat bij het ten gehore brengen van bijvoorbeeld pianomuziek, de reflecties je om de oren vlogen, het geluidsbeeld groot was en focus volledig ontbrak. Overal hoorde je de muziek terugkomen en een podium was niet herkenbaar. Cees Pel en Gerard van Kempen bedachten een aantal oplossingen. De eerste was een houten paneel, gebouwd door Hans Kortenbach, dat schuin boven de muzikanten (het podium) geplaatst werd.
Hierdoor kreeg het geluid minder de kans om hoog in de kerk voor veel reflecties te zorgen, maar werd de muziek juist directer naar de luisteraar gestuurd. Als tweede werden een aantal houten difussiepanelen verspreid door de kerkruimte opgehangen. Een strategisch geplaatst gordijn maakte het beeld compleet (in elke ruimte moet een goede verhouding tussen diffusie en demping gezocht worden, één van de twee methodes volledig doorvoeren heeft in onze beleving altijd nadelen). Met deze aanpassingen bleef de charme van het typische kerkgeluid behouden, maar waren de ongewenste resonanties en reflecties verdwenen en werden de muziekinstrumenten (en diens) spelers ’tastbaar’. De muziek klonk niet meer ‘zweverig’, maar had een goede focus en de intimiteit die bij een kerk past. Sindsdien klinkt de kerk in Hippolytushoef als een klok!
Het eindresultaat mag er zijn!

Net als velen zijn ook Marcel en Anke ooit begonnen met bekende merken als NAD, Classe, Meridian, Sonus Faber en Krell.
De doorbraak: circa drie jaar geleden in contact gekomen met Wilco, 47 Labs en JM Reynaud. Was zeer onder de indruk (Anke wordt inmiddels ook aangestoken door het 47 Labs virus) en na lang beraad alles vervangen voor de complete Shigaraki set en de JMR Offrandes. Deze set speelde de Krell -set compleet weg: meer rust, detail, snelheid, dynamiek en vooral muziek. Na drie jaar met tevredenheid met de Offrande te hebben gespeeld werd het toch tijd voor iets nieuws. Jah, we wilden toch een wat rijker beeld inmiddels.
Nu de Audio-Note AN/E Lexus HE, Sun Audio 2A3 (Pel Audio versie) en de Shigaraki loopwerk/dac combinatie. Verder 47 Labs 4719 luidsprekerkabel, Pel Audio interlinks en -digitale kabel en Furutech stroomvoorziening. De huidige set: transparant, dynamisch, zeer gedetailleerd, live-gevoel en stage, open en diepgaand.
Niet dat Lassus er genoeg van heeft, maar toen hij vanmiddag in het radioprogramma ‘Diskotabel’ de cantate Ich habe genug hoorde, wist hij het weer (je moet er af en toe aan herinnerd worden): Bach is misschien wel de grootste.
Want daar zitten in zo’n uitzending dan wel vier heren met elkaar te praten over de vraag of de opname niet te ruim is, of de sopraan te veel of te weinig vibrato heeft, en of het tempo niet te hoog of te laag ligt – maar allemachtig, dat is toch allemaal gezeur in het licht van de letterlijk (ja, letterlijk) hemelse muziek die je hier mag horen!
Dat deze muziek überhaupt bestaat is toch eigenlijk een wonder, het kan toch niet anders dan dat je je door aandachtig luisteren naar deze klanken (ondertussen geen krantje lezen, geen spelletje met kinderen doen, geen koffie drinken of met je mobieltje klieren: alleen, alleen luisteren) aan Bachs zijde schaart in het geloof in onze lieve heer… zonder dat je je nu direct in navolging van de tekst van deze cantate meteen hoeft te verheugen op het einde van ons aardse bestaan. Integendeel zou ik zeggen, je krijgt er levensmoed en -vreugde van.
Liever dan het vergelijken van de prestaties van de helden van het concertpodium zou het Lassus zijn als er nu eens een (radio?)rubriek kwam die ons, onwetende luisteraars, aan de hand van uitvoeringen probeerde te verklaren wat er de oorzaak van is dat deze en zo veel andere klanken ons zo kunnen ontroeren… waar schuilt toch het geheim dat muziek is? Iets van wat ons treft in melodische, harmonische of ritmische wendingen, in klank, timbre, ja, in stilte, moet toch te verklaren zijn? Natuurlijk, uiteindelijk een kansloze opgave, maar alleen al de poging kan de moeite waard zijn!
Als buitenstaander had Lassus het voorrecht bij Audio-Life een ‘demo’ te mogen bijwonen uit een ver land kwam iemand speciaal aangereisd om een paar exclusieve luidsprekers te horen en daarbij mochten derden aanwezig zijn.
Het meest van al wekte de oneindige schakering van al die gedraaide muziek verbazing. Wat is er toch een rijkdom aan klanken, harmonieën, motieven en kleuren… Lassus, (gelukkig) levend op het eiland van de klassieke muziek, hoorde zelden of nooit zo’n rijk scala aan wereld-, jazz-, pop-, reggae-, metal-, country-, house- en andere muziek bij elkaar.
Dat alleen al was een feest, waarbij opgemerkt mag worden dat keer op keer de stampende, ongevarieerde ritmes van vrijwel al die muziek iets afbreuk doet aan de weelderige klanken en fantasieën die de componisten (of de improviserende musici) ons voortoveren. Het lijkt wel of het vaste, starre patroon van de ‘pulse’ een noodzakelijke voorwaarde is voor al de wonderen die zich boven het vaak weinig gevarieerde slagwerk voltrekken. Maar dat was dan ook de enige reden om een wenkbrauw op te trekken.
Want dat de onvoorstelbaar rijke weergave van al die muziek de bezoeker, die een hartstochtelijke liefhebber bleek te zijn, aan het einde van de middag deed verklaren dat hij na een lange zoektocht bij Audio-Life zijn ideaal had gevonden… Tja, dat kon ik, onafhankelijke luisteraar, goed begrijpen!
‘Klassiek’, leerden wij vroeger op school, dat waren de Griekse beelden uit de oudheid, geprezen om hun harmonische vorm. Het klassieke ideaal kwam, na de ‘donkere’ middeleeuwen, weer terug in de renaissance, letterlijk in de tijd van de wedergeboorte. Nog later werd het woord losgekoppeld van de oudheid en werd alles dat een evenwichtige vorm heeft, als ‘klassiek’ geprezen.
Op de afgelopen ‘Cellobiënnale’ speelde het gezelschap Explorations onder leiding van cellist Roel Dieltiens de Variaties op een Russisch en een Schots thema van de Franse cellist Auguste Franchomme (1808-1884), een goede vriend van Chopin. Nee, niet bepaald hoogstaande muziek, je kon goed horen dat die man eigenlijk niet zo veel te zeggen had: als je twee ‘volkswijsjes’ nodig hebt om een stukje muziek van tien, twaalf minuten te schrijven, dan weet je het al: hier is geen Schumann, geen Chopin, geen Mendelssohn aan het woord.
En toch, paradoxaal, was het een van de hoogtepunten van de tientallen concerten waarin de cello centraal stond: omdat je in bijna geen ander stuk zo de alles overstralende liefde van de componist voor het instrument proefde. Heerlijk, die weliswaar nogal onbenullige, maar zo prachtig voor het instrument geschreven loopjes en gebroken drieklanken; heerlijk het onbekommerde zingen, heerlijk het vormen van die ronkende gebroken akkoorden opgebouwd vanuit de lagere snaren!
En dat alles zo innemend en zonder enig forceren gespeeld, zo – vergeef me het woord, anno 2008 doet het misschien wat archaïsch aan – zo gedistingeerd gebracht, met zo veel gevoel voor maat, orde, dynamiek, harmonie in alle betekenissen van het woord. Ach ja, het viel allemaal in het niet bij het knappe improviseren van andere cellisten, bij nog meer en nog mooiere Bach-suites, bij Haydnconcerten door begaafd jong talent, bij moderne elektronica en versterkte cello’s – het was bescheiden, het was geen hoge kunst, het was klassiek.
CD’s – ik ken mensen die er een wand vol van hebben, het resultaat van een onstuitbare verzameldrift. Iedere week komen ze met een paar nieuwe ‘meesterwerken’ (wat heet) thuis, ze worden meestal een keer ‘gedraaid’, maar gaan soms ook on-gehoord in de verzameling.
Het is net als met boeken: meer en meer hopen zich er in een leven op, maar, helaas, minder en minder lees je er echt van. Nu eerlijk: hoe veel cd’s heb ik meer dan een keer of drie, vier beluisterd? Een enkele. En hoe veel heb ik er echt, zoals dat heet, grijs gedraaid? Ook twee of drie in een heel leven, een paar Mozart pianoconcerten, Schumann’s Frauenliebe, Walton’s celloconcert, dan heb je het wel gehad.
Het gaat natuurlijk ook niet om de kwantiteit. O, hoorde ik de al eerder door mij geciteerde Maarten ’t Hart vanmorgen uitroepen in een uitzending van de ‘Muziekkeuze van de bekende Nederlander’, ‘wanneer komen de laatste twee opera’s van Rimsky-Korskakoff op cd, zodat ik die nog voor mijn dood kan horen’! Doe normaal man, de cd’s van die andere acht opera’s heeft ook geen mens behalve jij, en dat hoeft ook niet.
Bij ‘live’-uitvoeringen luister je misschien geconcentreerder. Mozarts ‘Jupiter’-symfonie, Beethoven’s ‘Eroica’, die heeft Lassus misschien wel tien of vijftien keer gehoord, overbekende werken die bij iedere uitvoering in een nieuw licht worden geplaatst, je hoort nieuwe klanken, nieuwe stemmen, timbres, trekjes, structuren die je voorheen niet ontdekte. Rijker en rijker wordt zo de muziek. En dat heeft niets te maken met ‘andere visies’ van dirigenten. Is dat bij cd’s toch niet veel moeilijker? Laat eens weten wat uw ervaringen zijn!
“Along the winding roads of agricultural England, The Piggery stands out as a warm and cosy home for retired turntables of the Garrard craft. Old and retired players of the old ’n gold records, but ready to be born again as a brand new Garrard 301, 401, 501 or the top secret 601. All made by the crafty hands of Terry and Nigel, the men behind Loricraft..”
Tenminste, zo zou een Engelsman het zeggen. In het Nederlands gezegd: we zijn op bezoek geweest bij Loricraft in Engeland, de enige geautoriseerde plek op aarde waar Garrard platenspelers (uit de jaren 50) weer als nieuw verkocht mogen worden, onder de Garrard-vlag! Ook maken ze platenwassers en twee platenspelers van eigen ontwerp, de 501 en de 601. Deze twee topmodellen hebben al het goede van de 301 en de 401, uitgevoerd met de grootste precisie en toewijding, en waar elke ‘short-cut’ omgezet wordt in een ‘long-cut’. Fantastische draaitafels en een heerlijke sound!
Ons ‘zakentripje’ bestond uit veel Guiness, mooie verhalen, Bed and Breakfast (hmm, worstjes, spek en eieren), nog meer Guiness, armpje drukken met de locals, nog meer mooie verhalen en een leuk en lang dagje Londen.
Mee naar huis ging een prachtige, klassieke Garrard 401 met SME-3009 toonarm.
Cellist in de orkestbak, vijfde lessenaar, zaterdagavond 20 september 2008, 23.30 u, na afloop van de opera Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss:
‘Die Lassus kan nu wel mopperen over het lawaai van popmuziek, maar hier kunnen we er ook wat van. Wat een herrie achter me, die hoorns, trompetten, trombones en daar achter nog het slagwerk – en waarvoor in ‘s hemelsnaam? Voor een onzinnig verhaaltje van een vrouw die geen schaduw heeft en daarom geen kinderen kan krijgen!’
Één grote nonsens hierboven op het toneel, met allemaal namaak-symboliek, terwijl ik toch goed-gelovig ben, zeker als het om opera-verhaaltjes gaat! enfin, ik kan het van hieruit toch niet zien en heb m’n handen vol aan al die noten! Hard werken, de hele avond, voor iedereen.
Die man op de bok, Marc Albrecht heet-ie geloof ik, mag wel even worden genoemd. In maten en soorten maken we ze mee, die dirigenten, ijdel, nors, popi-jopi, maar deze is van de beste soort. Alles heeft-ie in de smiezen, en hij inspireert je ook nog! Hoogste klasse. Jammer natuurlijk dat ik de mooie cellosolo niet mocht spelen, nou ja, eerlijk is eerlijk, de solocellist deed het prachtig, maar ik zou het ook wel kunnen, hoor! Overigens blij dat de voorstelling nog maar één keer gaat! geniale muziek, dat wel, maar eigenlijk harteloos, liefdeloos, je voelt je gemanipuleerd. Het verbaast me niet dat die Strauss een vriendje van Hitler was!
Muziek is als de mens. Oneindig zijn haar nuances.