Blog

Dropdown - blog

Lassus: Lawaai I

Bij de sportclub, drie kilometer verderop, is blijkbaar feest, want uren lang dringt een onmenselijk gedreun tot diep in mijn onderbuik door.

Als ik op televisie de authentieke, hartverscheurende lichaamstaal zie en het ongeremde geweeklaag hoor van hen die door oorlog, terreur, overstroming of welke ramp dan ook hun naasten hebben verloren, kan ik dat begrijpen en zelfs meeleven.

Maar zie ik soortgelijke extatische reacties van overigens vermoedelijk normale mensen op een popfestival, dan begrijp ik daar niets van. Is dat nu werkelijk authentiek? Want wat is die muziek nou helemaal? Melodisch: echt waar, aantoonbaar infantiel; harmonisch: echt waar, aantoonbaar oninteressant; dynamisch: echt waar, altijd te hard; klanktechnisch: echt waar, meestal vervormd want slecht en gruwelijk versterkt; naar de vorm: nooit langer dan een paar minuten, echt waar, want van een ‘ontwikkeling’ kan bij de meestal debiele wijsjes (wat heet) geen sprake zijn.

En dan de beleving van de ‘artiest’ (een kunstenaar zal hij, gelukkig, niet gauw genoemd worden): bij de domste teksten (het gaat in bijna alle gevallen alleen over L O V E) staan ze zich met zo’n elektronisch apparaat aan te stellen of ze gemarteld worden. Waarom trouwens, heeft popmuziek dat visuele element zo nodig? Het is, de lezer van deze column zal wel boos worden, het is allemaal volkomen namaak, het is allemaal doen alsof.

Steun voor deze kleine woedeaanval vindt Lassus toevallig vandaag ( 7 september 2008 ) in de NRC. Daarin zegt de cultuurwetenschapper Jaap Kooijman: ‘Popcultuur is per definitie niet echt’ de Amerikaanse popcultuur wil authenticiteit (’the real thing’) bereiken door totale nep te produceren. De ‘absolute fake’ is zo nep dat het echter lijkt dan echt. En met niemand kan ik het meer eens zijn dan met Maarten ’t Hart in ‘Mozart en de anderen’ (Amsterdam 2006): ‘Wat muziek betreft ziet mijn wereld er overzichtelijk uit. Voor mij bestaat maar één soort muziek, namelijk datgene wat men klassieke muziek pleegt te noemen. Al het andere, jazz, blues, reggae, countrymuziek, pop, musical beschouw ik als gedegenereerde rommel.’

Lassus: Feest

En wat voor een feest! De stemming zit er zonder omwegen meteen in, we zijn hier goed gemutst bijeen, aan het praten, dansen en drinken in een uitspanning op een open plek in het Bois de Boulogne. Snelle triolen van de blazers in zo’n langzamerhand vertrouwde hele-toons-toonladder monden al heel snel uit in een stralend statement van het koper. Heerlijk, de gepuncteerde ritmes die zich daarna in het patroon vlechten, en even later spant de tovenaar daarachter nog een decor, nu van violen, altviolen, cello’s met langere notenwaarden – dat procédé om de echte strijkersklank tot zijn recht te laten komen, en zich af te zetten tegen kortere blazersmotiefjes beheerst hij tot in de puntjes.

Waar gaat het heen? Sterker en sterker wordt het gedruis, steeds meer stemmen laten zich horen tot, ineens, een volkomen stilte valt dat onverwachte moment waarop je plotseling helemaal niets meer hoort, dat is misschien juist het hart van deze muziek: het rumoer en de opwinding van het voorgaande klinkt nog in je na, gelijktijdig is er het onverwachte van de stilte, en bovendien is er nog de spanning van wat komen gaat! Na dat magische moment horen we hoe een heel zacht, duister marsritme, maten achtereen die spanning langzaamaan opschroeft, en ja hoor, waarachtig, daar komen ze, met gestopte trompetten die aanvankelijk nog van achter de bomen klinken, zacht, zacht, eerst, maar het harmoniecorps komt dichterbij, andere blazers laten zich ook horen, dan komen de hoorns, en daar is dan het hele orkest, weer met de strijkers, en als climax duikelen over deze fantastische mars heen de melodieën van het begin in volle hevigheid, en daarmee is het feestgewoel compleet.

Maar, zoals altijd, als het hoogtepunt daar is, zijn we eigenlijk ook over dat hoogtepunt heen, de flarden met al die motieven worden gaandeweg korter en korter, de troep verdwijnt langzaam uit het oog, de vaart is eruit, ja, het feest lijkt voorbij een enkel trekje nog in de hobo, in de fluit, maar alleen het wegebbend triolenritme in de bassen blijft nog even, hoor ik daar in de verte nog een signaaltje van een huiswaarts kerende trompettist? En dan, dan is het over.

Over welk stuk muziek gaat het hier, beste lezer, beste luisteraar, beste audio-freak? Een cd (natuurlijk met de allerbeste uitvoering ervan) wordt in uitzicht gesteld voor het snelste goede antwoord!

Lassus: Fado Fado

Lassus hoorde de fado-zangeres Cristina Branco in de grote zaal van het Concertgebouw. Zij werd muzikaal bijgestaan door drie gitaristen (prettige Portugese kerels die achteloos virtuoze loopjes afgooiden) en een pianist (die hoorde, geloof ik, bij haar, maar bepaald niet bij deze volksmuziek).

Wat een weemoedige, droevige atmosfeer brachten die nu eens weelderige, dan weer kale klanken met zich mee! De ruimte was te groot, de versterking, hoewel perfect, eigenlijk tegen deze muziek in, die je graag zou willen horen in een café’tje in Lissabon en niet opgeprikt op rij 23 stoel 52 met 1200 anderen. Het is trouwens net zo goed muziek om doorheen te praten als om naar te luisteren: het verplichte zwijgen in de plechtige concertzaal maakt muziek heilig (en het vreemde is tegelijkertijd, dat zij dat in wezen natuurlijk ook is). Kortom, een niet opgelost probleem.

Het huwelijk tussen het woord en de muziek blijft moeilijk. Heel jammer dat je door de taal niet kon begrijpen wat al het leed was, waarover daar gezongen werd. Liefde? Geld? Dood? De taalbarrière is zo groot. Zou je een tweetalig programmaboekje willen hebben? Ook weer zowat. Dan zit je als luisteraar alsmaar te loeren in de tekst om te zien of je het allemaal volgen kan. Dan komt de overgave aan de muziek weer in het gedrang. Kortom, een niet opgelost probleem.

Voor Lassus – dat zal nu wel duidelijk zijn – is maar één soort muziek echte muziek: ‘klassieke’ muziek. Maar hij wankelt.

Hij hoorde en zag (want wat hij hoorde, kan niet goed zonder ‘zien’) voor het eerst in zijn leven een ‘vocal group’ (in het Nederlands klinkt het toch minder aantrekkelijk): vier mannen, drie vrouwen, keurig in rode blouses met zwarte broeken en rokken. Ze zongen iets tussen jazz en ‘close harmony’ in, maakten daarbij af en toe bescheiden danspasjes en gebaarden zo nu en dan, ook terughoudend, naar elkaar of naar het publiek. De liedjes, soms geïnspireerd op ‘evergreens’, hadden Engelse of Amerikaanse teksten, en zo nu en dan waren ze te verstaan, het ging veelal over liefde.

Het was prachtig en er werd (natuurlijk uit het hoofd) gezongen zonder het ergerlijke, eeuwige ‘vibrato’ van klassiek geschoolde zangers, die hier veel konden leren. Bovendien was het glaszuiver, wat niet eenvoudig moest zijn bij de wringende, soms interessante harmonieën, die nu door de vlekkeloze vierstemmige zang extra reliëf kregen. Bewondering hadden wij voor de goede smaak en de distinctie, waardoor iedere associatie met plat amusement achterwege bleef. Lichte muziek op het hoogste niveau.

‘The Biltstars’ heet de groep. Onze wereld zou groter worden door vaker naar ze te luisteren. Hun wereld zou groter worden als ze ook eens Mozart zingen.

Want Mozart, ja, die staat natuurlijk ver boven ‘klassiek’ of ‘light’. Die staat boven alles.

We wandelden in de Ooy-polder bij Nijmegen. Onderaan de heuvel stond in het gras een oude volkswagen, achterklep open. Uit het laadbakje kwam een tinkelend geluid, tweestemmig? driestemmig? Het leek een kruising tussen een orgeltje, een accordeon, een doedelzak en een strijkinstrument.

Naderbij gekomen zagen we twee oudjes met een muziekstandaard in die kleine ruimte geperst, ieder toegewijd draaiend aan de knop van een vreemde doos die ze als een gitaar op schoot hielden. Vrolijke Franse barokwijsjes deden ons de motregen vergeten, de gigues en gavottes van Boismortier en Corrette buitelden over elkaar. Wat een verrassing in de stille natuur!

Nog nooit hadden wij deze instrumenten gezien. Het bleken te zijn twee draailieren, een eeuwenoud instrument dat nog geen keus kan maken uit de mogelijkheden: wil het strijken? tokkelen? blazen? Van alles kan het een beetje.

Tijden van overgang zijn de mooiste en opwindendste. Uit wat is, komt, met toevoeging van een extra element, het nieuwe voort – de levende bloem uit de levenloze materie, het bezielde dier uit het levende plantenrijk, en zo verder, de mens, die ‘ik’ kan zeggen, uit het dierenrijk! En in de overgangstijden tussen de levensvormen in, daar wordt het nieuwe geboren, maar het is er nog niet, het ‘eerste thema’ heeft geklonken, het ’tweede thema’ komt eraan – wat er tussen zit, dat is een raadsel. Zoals de klank van die middeleeuwse draailieren.

Sommige mensen krijgen bij het luisteren naar muziek mooie beelden voor hun geestesoog, ze zien bergen, kleuren, abstracte figuren, bloemen, wat al niet. Lassus heeft daar – één uitzondering na – geen last van. Voor hem is de klankenwereld een bijna gesloten universum, en wij laten nu maar rusten de hamvraag waarom wij zo graag in dat universum verkeren, eenvoudiger gezegd: waarom wij van muziek houden.

Over die ene uitzondering gaat het vandaag. Horen wij van Schubert (toch niet een componist die we bij de favorieten hebben opgeslagen, om het maar eens met een internet-term te zeggen) het overbekende Impromptu in As (opus 142-2), dan zien wij onszelf als jongetje van twee, drie jaar onder de vleugel zitten waarop papa dit stukje speelt, wij zien perfect en volledig voor ons het oude perzische kleed waar die vleugel op staat, het kleed met de steenrode, blauwe en gele blokjes, een beetje verschoten, wij ruiken het stof en wij zien hoe links van ons (ja, zo exact is dat beeld, links, niet rechts!) het zonlicht door de glas-in-loodraampjes van de erker de kamer invalt. En wij zien natuurlijk de benen en voeten van onze vader, in zwarte schoenen, rustend op de pedalen van de vleugel.

Die klanken van dat kalme stukje muziek, en geen andere, dragen ons naar de vroegste herinnering, en daarbij komen luisteren, kijken, ruiken, drie zintuigen tot leven. Méér dan bij het zien van oude foto’™s zijn wij weer het kind dat wij waren – en nog een beetje zijn!

Laat ons, kijkers, luisteraars, eens weten of u ook zulke luister-ervaringen hebt, die u terugleiden naar beelden van vroeger – het hoeven niet de vroegste herinneringen te zijn, er zijn zo veel momenten in het leven waarop muziek bewust of onbewust een rol speelde en die, wanneer zij weer wordt gehoord, u terugplaatst in de tijd.

Het eerste en het laatste liedje, ze hebben allebei een extra betekenis.

Déodat de Séverac – alleen zijn naam al is bijna poëzie.Déodat de Severac: een klank die de zon van de Franse Languedoc oproept, de geur van cypressen en van thijm, en van de warme mistral.

Hij werd geboren in 1872, verliet Toulouse om in Parijs compositie te gaan studeren, en hoewel hij daar bevriend raakte met Ravel en Debussy en er de impressionisten leerde kennen, was de grote stad voor hem te groot, hij keerde al spoedig terug naar Zuid-Frankrijk en woonde tot aan zijn dood in Cáret (Pyreneeën). Veel componeerde hij niet, nogal wat liederen die zijn geboortegrond tot thema hebben, twee opera’s en twee bundels met pianostukjes voor kinderen, getiteld En vacances. Je hoeft niet goed piano te kunnen spelen om er van te genieten, en ze zijn een welkome afwisseling op de stukgespeelde Kinderszenen van de grote Robert Schumann.

En nu zal ik een geheim onthullen. Het vijfde stukje uit de eerste bundel, Ronde dans le parc (alleen die titel al!) weegt voor mij op tegen stapels Bach, Beethoven en Brahms bij elkaar. Dat ene stukje, meer hoeft niet, zestig maten is het ongeveer, mogen ze op mijn uitvaart laten horen, tweemaal, driemaal, het is nooit te veel maar wel graag (neem me maar niet kwalijk, Audio-Life!) in het echt, door iemand van vlees en bloed op een piano (of, liever nog, vleugel) gespeeld. Zo bekoorlijk, zo lief en eenvoudig, met een vleugje melancholie, is dat juweeltje; het is, zoals altijd als het over muziek gaat, niet echt te beschrijven.

Lezers, kijkers, luisteraars, hoe moet ik u in cyber-space aanspreken – laat ons op dit forum eens weten wat uw muziekkeuze is voor bij uw laatste gang, en probeer kort te omschrijven waarom u dié muziek, dát koor, dié band dan juist wilt horen horen, schreef ik per abuis, en ik laat het ook maar staan. Alles mag, alles kan natuurlijk ‘André Hazes, Igor Stravinsky, Chet Baker, het gaat niet om het wat, het gaat om het motief, om het waarom. Inzendingen staan open tot 1 augustus. Er is hier een exemplaar van Mozart in zijn brieven voor wie (naar Lassus’ strikt subjectieve mening) het mooiste antwoord geeft.

Hoe heerlijk Parijs ook is, soms wil je even weg van de grote stad. Ga dan naar het dorpje Montfort l’Amaury aan de rand van het bos van Rambouillet, een uurtje buiten de stad, en wandel naar boven, naar het huis ‘’Le Belvédère waar de componist Maurice Ravel vanaf 1920 tot zijn dood in 1937 woonde.

Het is een volmaakt museumpje, alles is er nog net alsof hij zo meteen terugkomt van een dagje Parijs: zijn ordelijke kamertjes, zijn speeldozen van hout en porselein, zijn boeken, zijn muziekkamer. En als je dan tegen de ouderwetse, dus strenge dame die je heeft opengedaan, laat blijken dat je weet dat Ravel, die altijd rookte, verslaafd was aan het merk Caporal, dan mag je vast wel even op zijn mooie vleugel spelen. Boven die vleugel hangt een pastel-portret van een vrouw. Maar wat voor een! Trots, mooi, donkere ogen, sterke wenkbrauwen, zij moet wel een enorme persoonlijkheid zijn geweest. ‘Ze zou liever met haar vrienden in de hel zijn, dan alleen in de hemel’ zei Ravel over zijn moeder. Zij was een Baskische, hij was geboren in Cibourne, tegen de Spaanse grens aan. ‘Mijn moeder wiegde mij in slaap met Baskische en Spaanse kinderliedjes. ‘In een eerdere column schreef ik over Debussy’s Spaanse muziek, maar dat verplicht om zijn enkele jaren jongere tijdgenoot en mede-vernieuwer van de muziek (‘Debussy schreef een nieuwe grammatica, Ravel breidde de woordenschat uit’) ook in hetzelfde zuidelijke licht te plaatsen. Ik laat nu die Boléro even voor wat zij is (een kapot gespeelde grap), maar luister eens naar de Rapsodie espagnole, naar de liederen Don Quichote, natuurlijk naar de Habanera (bij voorkeur de zetting voor cello en piano!) en wie de kans krijgt de opera ‘met een knipoog’ L’Heure Espagnole te zien, moet dat niet laten gaan: ons beeld van Spanje, bijna als cabaret.

Ja, een tovenaar was hij. ‘In al zijn muziek roept Ravel een paradijstuin op, de gouden jaren van een jeugd die voorgoed voorbij is. Dat is misschien wel, wat zich tot ontroering omvormt, het besef van een andere, gelukkiger wereld van kleine vreugden, van een fontein, van een kwetterende vogel in de ochtend!’

Het jaar 1885. Elf kinderen had ze gekregen, de 40-jarige Nadesja von Meck, en nog had ze er blijkbaar niet genoeg van. Helaas, haar man ontdekte het slippertje dat ze maakte met zijn secretaris en stierf meteen aan een hartstilstand.

Daar zat ze, gelukkig aan geld geen gebrek, hij had het verdiend met de aanleg van spoorwegen in het grote Rusland. Ieder jaar ging ze ’s zomers met heel haar hofhouding voor een paar maanden naar een ander Europees oord – Florence, Wenen, Napels. Aan het conservatorium van Parijs vroeg ze om een pianostudent die haar kinderen in die tijd kon lesgeven, begeleiden, en met haarzelf vier handen piano kon spelen. Haar held was Tsjaikowsky, aan wie zij een leven lang geld en opgewonden brieven stuurde zonder hem ooit te hebben ontmoet.

Zo kwam het dat de 18-jarige Claude Debussy drie jaar achtereen een feestelijke zomer mocht hebben, en meestal pas weer eind oktober (onder protest van zijn docenten) de lessen in Parijs begon te volgen. Het eerste jaar logeerde de familie von Meck ook een paar weken in Arcachon,een badplaats aan de zuidelijke Atlantische kust. Van daaruit werd een bezoek gebracht aan Noord-Spanje. Het was de enige keer dat Debussy in dat land kwam.

Onbegrijpelijk is het dan ook hoe zijn ‘Spaanse’ composities doortrokken zijn met de trots, de warmte, de melancholie, en met al die andere, onzegbare nuances die wij verbinden aan het woord ‘Spanje’. Dat is de ware muziek: die beschrijft niet wat je ziet, juist niet, niet Spanje als een verzameling mensen en landschappen, nee, Spanje als idee.

Om de kunstenaar Paul Klee te citeren: ‘Kunst geeft niet het zichtbare weer, kunst maakt zichtbaar’.

Ze hadden in Oostenrijk weer eens een Mozartjaar bedacht, tenslotte leven ze daar bijna van die man. Salzburg bracht een mooie tentoonstelling met de eigentijdse titel Viva!Mozart en verder ook nadrukkelijk bedoeld om ons te laten weten dat die muziek niet alleen voor oude zakken is. Er waren naast bekend en onbekend historisch materiaal ook moderne gadgets. Zo kon je leren een menuet te dansen, echt “interactief” met een 18e-eeuwse, bewegende dansgroep, rondom op de muren van een vertrek geprojecteerd, maar die reageerde op je eigen bewegingen; daarbij was, het zij toegegeven, wel enige assistentie van een (levend) Salzburgs meisje.

Na deze toch bijzondere ervaring liepen wij met rode konen van inspanning en plezier verder, en kwamen in een forse, vrijwel duistere ruimte, hier en daar blauw opgelicht en met een enkel spotje, maar zonder geëxposeerd materiaal – en dat in een museum? Het rumoer van het dansen maakte plaats voor de stilte en wij gingen zitten op een van de banken, waar ook anderen gebruik van maakten.

In 1784, toen zijn compositie klaar was, schreef Mozart aan zijn vader dat hij dit werk het beste vond wat hij ooit gemaakt had: het kwintet voor vier blazers en piano (KV 452). Zittend in die stille ruimte, werden wij overvallen door het langzame deel, dat uit een perfecte geluidsinstallatie tot ons kwam, en wij begrepen dat Mozart weer eens gelijk had. Om de beurt krijgen de blazers hun kans, in steeds wijdere melodische arabesken vol delicate echo’s, maar altijd in die superieure beheersing van de vorm – ach, je kan eindeloos proberen die muziek te beschrijven, maar dat blijft een hopeloze onderneming. Driemaal lieten wij dat deel voorbij komen, daarna hoef je de rest van het museum niet meer te zien.

Zo zou het altijd moeten zijn: gevoed door beelden uit het leven van de maker, gevoed door perfecte weergave, gevoed door stilte en concentratie—dan is muziek waar muziek voor bedoeld is: verzoening met het bestaan.

De officiële opening van de nieuwe luisterruimte in Buren op maandag 12 april 2008 was een groot succes. Met prachtig weer, goede muziek en gezelligheid zet dit de toon voor een fijne toekomst.

Afgelopen maandag 12 april 2008 was onze ‘officiële opening’ van de nieuwe luisterruimte in Buren! Heerlijk weer, gezellige mensen en goede muziek waren de kernwoorden van deze uitermate geslaagde dag.

Iedereen (ook wij) genoot van de zon, de drankjes, het ijsje, de muziek, de sfeer en de gezelligheid. In de pauze en tussen de nummers door. Daartussen had iedereen zijn eigen kleine wereldje in de korte tijd die elk nummer duurde, althans zo werd ons enthousiast verteld.

Hieronder een kleine foto-impressie van de dag die wij zullen herinneren als een heel goed voorbeeld voor de nog vele komende muziekdagen/-avonden zoals deze. Blijf dus de website in de gaten houden. 🙂

Op Palmzondag – hoe veel lezers van deze tekst weten nog waarom wij die dag zo noemen? – hoorden wij de “Matthäus-Passion” over radio 4 uit het Concertgebouw komen. Het geluid kwam tot ons uit twee vurenhouten kistjes uit het jaar 1975, of iets soortgelijks, maar ondanks de eenvoud van deze speakertjes (helaas nog geen set Twin Signature™, maar die komt zeker!) ondergingen wij weer het wonder van deze muziek.

Hoe, zo vroegen wij ons af bij dat bijna verpletterende beginkoor, hoe zou de kerkganger daar in de Thomaskirche in Leipzig dit alles bij de eerste uitvoering in 1727, in die zondagsdienst, een week voor Pasen, het Opstandingsfeest, hebben ondergaan? Voor hem of haar was het geloof, en daarmee de kruisiging van Christus een oneindig sterkere realiteit dan voor het merendeel van ons, 21e-eeuwse agnosten.

De heilige werkelijkheid die het verhaal voor hem bezat, kunnen wij ons bijna niet meer voorstellen – iedere afstandelijkheid is daarmee geëlimineerd. En zou de realiteit van het lijdensverhaal, dat zich, ieder jaar, hier en nu, voltrekt, nog niet tot hem zijn doorgedrongen, dan zou de ‘˜overweldigende muzikale stereofonie van maar liefst drie koren, twee orkesten en twee orgels die vanaf het meest heilige deel van de kerk klonk’ (citaat uit Christoph Wolff, Johann Sebastian Bach, Utrecht 2000), hem wel hebben meegenomen.

Wie het voorrecht heeft gehad een of meer van de grote Bachwerken in die kerk, waar hij zelf cantor was, te horen, beseft nog eens hoe muziek hemel en aarde kan verbinden.

En tenslotte, meer als voetnoot bij het voorgaande: eerbied, daar gaat het ook om. Tot voor enkele tientallen jaren geleden werd het als ongepast gezien na het slotkoor te applaudisseren. De diepe rouwstemming die hoort bij Christus’ gang door het dodenrijk, opgewekt door tekst en muziek, die werd niet door het geklap verstoord en bleef bij de toehoorder—toen ik als jongetje met mijn ouders naar de Matthäus-Passion mee mocht, herinner ik me hoe het stille weggaan van al die mensen uit de kerk misschien wel net zo veel indruk op me maakte als de muziek zelf!