Blog

Dropdown - blog

Op Palmzondag – hoe veel lezers van deze tekst weten nog waarom wij die dag zo noemen? – hoorden wij de “Matthäus-Passion” over radio 4 uit het Concertgebouw komen. Het geluid kwam tot ons uit twee vurenhouten kistjes uit het jaar 1975, of iets soortgelijks, maar ondanks de eenvoud van deze speakertjes (helaas nog geen set Twin Signature™, maar die komt zeker!) ondergingen wij weer het wonder van deze muziek.

Hoe, zo vroegen wij ons af bij dat bijna verpletterende beginkoor, hoe zou de kerkganger daar in de Thomaskirche in Leipzig dit alles bij de eerste uitvoering in 1727, in die zondagsdienst, een week voor Pasen, het Opstandingsfeest, hebben ondergaan? Voor hem of haar was het geloof, en daarmee de kruisiging van Christus een oneindig sterkere realiteit dan voor het merendeel van ons, 21e-eeuwse agnosten.

De heilige werkelijkheid die het verhaal voor hem bezat, kunnen wij ons bijna niet meer voorstellen – iedere afstandelijkheid is daarmee geëlimineerd. En zou de realiteit van het lijdensverhaal, dat zich, ieder jaar, hier en nu, voltrekt, nog niet tot hem zijn doorgedrongen, dan zou de ‘˜overweldigende muzikale stereofonie van maar liefst drie koren, twee orkesten en twee orgels die vanaf het meest heilige deel van de kerk klonk’ (citaat uit Christoph Wolff, Johann Sebastian Bach, Utrecht 2000), hem wel hebben meegenomen.

Wie het voorrecht heeft gehad een of meer van de grote Bachwerken in die kerk, waar hij zelf cantor was, te horen, beseft nog eens hoe muziek hemel en aarde kan verbinden.

En tenslotte, meer als voetnoot bij het voorgaande: eerbied, daar gaat het ook om. Tot voor enkele tientallen jaren geleden werd het als ongepast gezien na het slotkoor te applaudisseren. De diepe rouwstemming die hoort bij Christus’ gang door het dodenrijk, opgewekt door tekst en muziek, die werd niet door het geklap verstoord en bleef bij de toehoorder—toen ik als jongetje met mijn ouders naar de Matthäus-Passion mee mocht, herinner ik me hoe het stille weggaan van al die mensen uit de kerk misschien wel net zo veel indruk op me maakte als de muziek zelf!

Citaat uit de NRC van vandaag [15-04-2008]: “Zelden klinken zijn [Beethovens] pianotrio’s zo geanimeerd en diepzinnig, zo schitterend van toonkwaliteit en balans, zo enerverend van spanningsopbouw en beweging, zo helder en subtiel, maar ook zo eensluidend, woest en indringend…” en zo gaat dit opgefokte proza nog even door, ik zie in de volgende vier regels nog een tiental typeringen als ontzagwekkend, sereen, metafysisch, briljant, hallucinerend, kosmisch, maar ook komisch, kolkend en speels…

Ja hoor, rustig maar, kan het niet wat minder? Wat heeft de gemiddelde krantenlezer aan dit verslag van een kamermuziekavondje in de Kleine Zaal?

Musici worden al gauw als acrobaten, dompteurs en illusionisten gezien, met het verschil dat hun vaardigheden niet dienen om aan rekstokken te zwaaien of speelkaarten te doen verdwijnen, maar om geluid te produceren. Over dat geluid schrijven is moeilijk, moeilijker nog dan over de kleuren van Rembrandt of de woorden van Mulisch, want ach, het is al duizend keer gezegd, muziek is de meest abstracte kunstvorm: zo is de klank er, zo is-ie weg. Uit onmacht of gewoonte neemt de recensent – toegegeven, zijn of haar taak is vrijwel onmogelijk – dan maar zijn of haar toevlucht tot dit soort teksten: overdrijving en persoonsverering passen goed in onze tijd.

In het verhaaltje, het “’verslag”, wordt dan ineens het Adagio cantabile uit Op. 1 No. 1 genoemd. Als dat er dan uitgelicht moet worden, leg ons dan, als het kan in gewoon Nederlands, uit waarom dat een ‘mooi’ stukje muziek is, vertel ons iets over de totstandkoming, over de structuur, over het eigene, over de aard van melodie of harmonie. Laat al die hoogbegaafde musici, Russisch of niet, wonderkind of niet, Brendel of niet, maar even voor wat zij zijn. Geef ons voorlichting, feiten; meningen hebben wij (zelf al) genoeg. Ga niet loeien, maak kunst niet nog meer tot Kunst dan kunst al is. Daar bewijst u de kunst geen dienst mee. En de 200 lezers van de NRC die bij het concert waren, ook niet. En de 298.800 lezers van de NRC die er niet waren, al helemaal niet.

“Muziek uit de muur” heette het nog tot in de zestiger jaren: je draaide een knop aan de wand om en er kwam geluid uit een doosje, het woord “radiodistributie” schiet me te binnen, het deed allemaal nog erg denken aan de Tweede Wereldoorlog – muziek uit de muur, ik vond het niks.

Om echt van muziek te genieten, om de boodschap echt te verstaan, daarvoor was het wel goed als je voor een stoel in de concertzaal betaalde en, liefst door weer en wind, daarheen was gegaan. Dat “offer” zou zijn werk dan doen: na die financiële en fysieke inspanning ging je echt wel geconcentreerd luisteren! Je kwam er tenslotte voor.

Voor velen is muziek door de moderne technieken niet meer dan mooi behang, of, zoals ik laatst de toch door mij bewonderde dichter Anton Korteweg hoorde zeggen: “voor onder het afwassen”.

Ik blijf bij mijn standpunt. Wie de boodschap uit de wereld van de verbeelding (want uit die wereld komt muziek) wil verstaan, moet niet ondertussen stofzuigen, een vinger naar een tegenligger opsteken of de post openmaken. Zoals de oude Charles Burney (18e eeuw, bereisde heel Europa op zoek naar muziek) al zei: “voor een goed concert zijn twee partijen nodig: ˜goede musici en een aandachtig gehoor”.

En toch, en dit in tegenspraak met al het vorige, toch kan het je ook overvallen, plotseling, onvoorbereid, in de auto, of “nog even horen voordat ik ‘m afzet”, thuis – er komt een onbekend (ja, bij voorkeur onbekend) stukje muziek uit dat ding, en het gebeurt een enkele keer dat je, ja, hoe moet je dat nou zeggen?, dat je je helemaal overgeeft aan het luisteren, dat er niets anders is dan die klank, nu, hier. Die zeldzame momenten, daar gaat het om.

De rest is consumentisme.

Een weekendje Parijs. In de “oude”  opera zou die zaterdagavond Gluck’s Orpheus en Eurydice worden gegeven – maar 130 euro voor een plaats, zouden we dat er aan beleven? In de kerk van St.Germain-des-Prés leek een aanvaardbaar alternatief: voor een fractie van dat bedrag toch een beetje opera, zowel muzikaal als in uitvoering: “Le choeur du personnel de l’Opera de Paris” zou er te horen zijn in Gabriel Fauré’s Requiem.

Na enkele “voornummers” kwamen ze op: zeker honderd mannen en vrouwen, en wat een prachtige zang, wat een discipline, wat zuiver en gelijk zongen ze,—en wat waren het? Kassiers? Meisjes van het kledingatelier? Portiers? Grimeurs? Boekhouders? Onbegrijpelijk.

Maar het meest van al werd ik getroffen door een van de twee contrabassisten, waar we toevallig het volle zicht op hadden. Iedere noot, iedere streek, iedere pizzicato kreeg de volledige liefde en overgave van deze donkere jongen: wat een feest was het voor hem om die muziek te spelen, die baslijntjes, en voor ons ook, net zo’n feest om iemand met zulk een overgave te zien opgaan in zijn werk! Hij was wel de meest overtuigende belichaming van de toewijding van heel dat koor, van heel dat orkestje, en van die oude stramme dirigent die zijn vak nog goed verstond. Een bijna onaards zingend blond meisje en een kartonnen Engelsman met een fraaie basstem voltooiden het beeld.

Als je goed kijkt, luister je misschien ook beter naar wat je ziet, je bent door de beelden al een beetje op weg naar de klank. En de gemeenschappelijke concentratie van musici en luisteraars op datgene waar ze allebei voor komen, schept een klein universumpje waarin de boodschap van Fauré en van al die andere grote componisten zo gaaf kan worden ontvangen.

Horen en zien – mij vergaat het niet gauw.

De laatste aanvulling op de set van Rolandt is een mooi paartje Audio Note AN-E/SPe luidsprekers, die zijn Xanadu’s met recht vervangen. Hij combineert de Audio Note’s met een Melody SP3 II buizenversterker en zijn cd’s spelen in de CEC CD-3300. Het brede, lage laag komt bijzonder rustig over in de kamer. Gecombineerd met het rijke middengebied (de Xanadu’s klinken dun in vergelijking) is het voor Rolandt genieten met een boek en een glas wijn.

De komende weken, maanden en jaren wordt de set verder doorontwikkeld, met behoud van deze voor Rolandt verslavende weergave!