Blog

Dropdown - blog

De set van… Hans

Toen ik in 2009 kennis maakte met de producten van 47 Labs, Cees Pel en Musical Affairs was het voor mij duidelijk dat dit het geluid was dat ik al lang zocht. De afgelopen jaren heb ik met hulp van Caspar zorgvuldig mijn eigen set samengesteld. Ook heb ik mezelf de afgelopen jaren verdiept in het bouwen en verbeteren van vintage tussenwiel-aangedreven platenspelers. De opbouwfase van mijn set is inmiddels afgerond en nu bevind ik me in het stadium van optimalisatie van de omgeving en akoestiek.

Het hart van mijn set bestaat uit een Sun SV-2A3 gebouwd door Cees Pel en een passieve voorversterker van Cees Pel met audio-consulting stappenschakelaars volledig met gouddraad geschakeld en gesoldeerd. De Grand Crescendo Apasionata “fieldcoil” luidsprekers vormen met de Sun een geweldige combinatie. Het CD-loopwerk is een Shigaraki loopwerk van 47 Laboratory die is gemodificeerd door Cees Pel. De DAC is ook van de hand van Cees Pel. Mijn platenspeler is gebaseerd op een Garrard 401 die volledig gereviseerd is. De plint is van massief noten en de arm een SME 3009, gerestaureerd door Analog Tube audio en met een geweldig MC element van Ortofon: de MC30 super MKII. Als phono versterker een Grail van V/d Hul.

Alle bekabeling (zowel luidsprekerkabels als interlinks) is door Cees Pel gemaakt waarbij de interlinks voor de digitale componenten in goud zijn uitgevoerd. Voor de stroomkabels heb ik kabels van Furutech en in het digitale stroomcircuit staat een Audio Consulting transformator parallel geschakeld. Tot slot staat al dit moois in een custom made audiorack van Level Audio.

Lassus: Onguur

Henry Purcell (1659- 1695) mocht al op zijn vijftiende jaar het orgel van de Westminster Abbey stemmen. Vijf jaar later was hij er organist. Hij stierf jong, 36 jaar oud, maar zijn grootheid is algemeen erkend. Zijn bekendste werk is de opera Dido and Aeneas, geschreven voor het hof, maar de première van het drama vond vermoedelijk plaats op een meisjeskostschool.

Een tovenares wil Carthago ten gronde richten. Daartoe moet het voorgenomen huwelijk van koningin Dido met de Trojaanse held Aeneas gedwarsboomd worden. De tovenares stuurt daartoe een als Mercurius vermomde hulp-toverkol, om hem er aan te herinneren dat Zeus van hem verlangt dat hij Troje op Italiaanse grond herbouwt. Aeneas gaat naar Dido om afscheid van haar te nemen, maar haar verdriet doet hem besluiten de godenwens niet in te willigen en bij haar te blijven. Te laat, zij wijst hem af en sterft.

Het terecht beroemde hoogtepunt is Dido’s wanhopige klacht ‘When I am laid in earth’, voorafgegaan door een smartelijk recitatief. Maar tenminste even indrukwekkend is het begin van het tweede bedrijf. De toverkol roept de andere heksen op, die zingen over de vreugde van het kwaad, en de plannen worden gesmeed om Dido in het verderf te storten. ‘The Queen of Carthage, whom we hate, / As we do all in prosp’rous state, / Ere sunset, shall most wretched prove, / Depriv’d of fame, of life and love ’

Er komt een storm over heen om een jachtpartij van Dido en Aeneas te bederven. ‘Thunder and lightning, horrid music’. Ja, zeg dat wel! Deze keer wordt de beeldende kracht van een grote componist aangewend om de minder nobele aspecten van het mensdom, de macht van het kwaad, krachtig vorm te geven. Schrijnende dissonanten in de recitatieven, ongure lachsalvo’s en echo’s in het koor, Purcell moet er schik in hebben gehad onze duistere kanten zo overtuigend neer te zetten.

Lassus: Tang

Het heeft ook iets engs, zo’n mooi beschilderde en behangen dame, één hand op de glanzend-zwarte vleugel, de andere hand wanhopig stil houdend, meestal op een onnatuurlijke plaats voor het lichaam, muzikale en dus emotionele hoogtepunten vaak onderstrepend door haar te openen, of zij om een euro vraagt. Waarom lopen ze niet gewoon heen en weer, die zangeressen, waarom kunnen ze niet ontspannen of althans die indruk wekken? Op zo’n zang-recital heeft de krampachtige dienst aan de schoonheid, aan de kunst, ja, aan de Kunst, een averechts effect.

Zo’n liedje van Franz Schubert (hij schreef er meer dan zeshonderd, bij zo’n aantal kan je toch gewoon voor je uit zingen?) is helaas belast met muziekbibliotheken vol ontzag voor het genie van de vroeg overleden (helpt ook altijd voor extra eerbied) componist. En de kunstenares heeft ook nog tien jaar gestudeerd in Parijs en München en Toronto en weet-ik-waar en master-classes gevolgd bij alle Udo Reinemannen ter wereld, voordat ze hier nu ook in de Kleine Zaal met heel haar muziekinstrument (‘beaucoup de monde au balcon’) stijf van onderdrukte spanning onmetelijk haar best staat te doen.

Gelukkig kan het ook anders. Een verademing was het concert gegeven door een zangersgroep van vijf heren, bijgestaan door een pianist en een gitarist, zich noemende ‘Frommermann’, naar de oprichter van het Duitse ensemble ‘Comedian Harmonists’ dat tussen de wereldoorlogen het Duitse publiek amuseerde. Het was een feest te horen hoe zij in subtiele en ook minder subtiele bewerkingen en danspasjes Erlkönig, de forellen, Maria (van het Ave) en het heideroosje in een liefderijke tang namen. Wat een vaart, wat een plezier, ach, misschien was het wel wat ge-acteerd, maar dan wel zo goed dat het leek of het spontaan was. En zang, intonatie, klankverhouding, alles even verzorgd, wat een feest! Weg van het brave, weg van het gezapige… die kant moet het heen, met alle muziek, wel gestudeerd, maar minder bestudeerd, meer moed, maar minder zekerheid. Ga er zelf maar eens aanstaan!

Lassus: Champagne

Dormont, de voogd van Giulia, weet niet dat zij in het geheim getrouwd is met Dorvil en dat deze haar ’s nachts langs een ‘zijden ladder’ kan bezoeken. Had hij dat geweten, …ach, dan had hij haar niet voorbestemd voor de jongeman Blansac, die echter op zijn beurt verliefd is op Lucilla… De dubieuze huisknecht Germano vergroot de verwarring, waardoor het nog bevredigender is dat aan het slot alles op z’n pootjes terecht komt.

Talloze malen vormen deze patronen van verliefdheid en afgunst tussen meesters en meisjes, tussen knechten en mevrouwen, meestal nog door verkleedpartijen aangescherpt, de basis van de opera buffa, aanvankelijk nauwelijks of niet getolereerd door de adel, maar nu, in Rossini’s tijd aan het begin van de negentiende eeuw, gemeengoed.

In 1812 schrijft de jonge Rossini vijf opera’s, heen en weer reizend tussen Milaan en Venetië, repeterend, dirigerend, onderhandelend met zangers, zangeressen, schouwburgdirecteuren, musici, librettoschrijvers… La scala di seta (‘De ladder van zijde’) is er een van. Wat een meesterhand, meteen al die vitale, vrolijk kwekkende ouverture vol geinige houtblazers-grappen, die ons zonder omwegen naar de slaapkamer van Giula leidt…

De voornaamste karakters krijgen, zoals het hoort, tenminste één eigen aria om in heerlijk bel canto te schitteren, maar de ensemblenummers zijn toch het hoogtepunt. Mooier dan Frédéric Vitoux het zegt in zijn biografie (Amsterdam 1990) kan het niet worden geformuleerd: ‘La scala di seta lijkt door Rossini te zijn gecomponeerd om uit te komen bij het slotsextet, wanneer het middernacht slaat, het uur van de liefde, van de hereniging van liefdesparen […]. Dit sextet ontkurkt Rossini als een champagnefles […] en hij brengt een melodie tot schuimen die van het ene personage op het volgende overgaat, hen exalteert, dronken maakt en vergeeft in het oneindig sensuele crescendo dat wordt opgebouwd door een componist van twintig jaar.’

Na zijn veertigste deed hij vrijwel niets meer. Hij was dik en rijk, en zette iedere dag een andere pruik op. De barbier van Sevilla is van zijn bijna veertig opera’s de mooiste, maar cellisten zullen nooit genoeg kunnen krijgen van de ouverture tot Guillaume Tell.

Met minimaal vier concerten per jaar zet Muziek op de Dijk zich in om klassieke muziek dichter bij de mensen te krijgen. Muziek op de Dijk heeft de Jo de Gramprijs van Gemeente Geldermalsen gewonnen. Deze culturele aanmoedigingsprijs is toegekend voor een serie concerten waarmee klassieke muziek op een luchtige en lichtvoetige manier toegankelijk wordt gemaakt voor een breed publiek.

Het initiatief voor Muziek op de Dijk werd genomen door de cellisten Douw Fonda en Sanne de Graaf. Beiden zijn actief in het nationale en internationale klassieke muziekleven en spelen bij professionele symfonie-orkesten (het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Brabants Orkest) en ensembles op hoog niveau (het Combattimento Consort Amsterdam en hun eigen ensemble Musica Rossi).

Audio-Life is trots zich als sponsor te mogen verbinden aan Muziek op de Dijk. Wij nodigen iedereen van harte uit eens een concert bij te wonen. Zie hiervoor de agenda van Muziek op de Dijk.

Lassus: Gesprek

Je pakt hem uit de hoek of uit de kist, je spant de stok, je stemt even voorzichtig bij, maar de lessenaar laat je nog even staan. Zo begint, iedere dag opnieuw, aarzelend het gesprek tussen jou en je instrument.

Het beste is als dat over niets gaat, en langzaam op gang komt: je moet altijd weer even aan elkaar wennen. Eerst speel je een paar ‘voor de hand’ liggende figuurtjes, of zelfs alleen een paar losse noten, maar vooral niets wat ’expressie’ vraagt, en ook niets waar ‘techniek’ bij te pas komt. Kies alleen registers of posities die je beheerst. De opgave is zo eenvoudig: speel zuivere noten die goed klinken, dat is alles—en luisteren, luisteren, dat is het enige. Elke snaar mag even bloeien, maar maak er niets bijzonders van; strijk wat loopjes, maar bewaar je eigen riedeltjes nog even (ik ken geen musicus die ze niet heeft), die doe je straks wel. Iemand hoorde Pablo Casals, de grote cellist, ‘studeren’. Een losse a-snaar werd herhaalde malen rustig, kort, lang, aangestreken; stilte; er volgde een b (‘eerste vinger’), ook een paar keer, gevolgd door de twee noten a en b, om en om…

Het kan gebeuren dat je je er ineens over verwondert wat een mooi geluid de vlekkeloos aangestreken noot geeft. Waar komt die eigenlijk vandaan (ik heb het niet over trillingen en andere fysica, dat soort verklaringen roept alleen maar nieuwe vragen op), hoe bestaat het, letterlijk, zo’n gave klank, die ik maak, die opkomt en wegebt, tot stilstand komt? Ja, bijna zou je je afvragen: wat is het eigenlijk, geluid? Die cello of die viool is niet meer dan een doos van hout, en iets simpelers dan een strijkstok bestaat nauwelijks—en toch, één toon kan, twee tonen kunnen iets zeggen, al kan je de boodschap niet onder woorden brengen. Dat je zo’n klank mag helpen voortbrengen, dat is toch een voorrecht, vooral als je zo’n enkele toon kan modelleren naar lengte, naar sterkte en zelfs naar aard. Wat zijn wij strijkers gezegend, je zal maar een arme pianist zijn die binnen veel nauwere grenzen moet opereren!

Weg van de verbazing, terug naar de studie. Want de toonladder wacht op je. Je zal het niet geloven, maar ook die kan voldoening geven. Daarover een volgende keer.

e uitdrukking van levensvreugde en van droefenis—er is, waag ik te zegen, in de vorige eeuw geen betere muziek geschreven. Hier hoor je het hart van Europa zingen, ons eigen hart, waarvan Bartok de essentie opving op een primitief bandrecordertje, bijna honderd jaar geleden, op het platteland van Hongarije. Wat hij daar hoorde—en hij ondernam die tochten jaren achtereen—die oeroude volkszangen transformeerde hij naar de twintigste eeuw, en enkele ervan nam hij als uitgangspunt voor deze compositie die, net als zijn andere werk, veel verder reikt dan een oud boerenliedje. Maar bij alle capriolen, alle dubbelgrepen, alle harmonische en technische hoogstandjes weet je, misschien door het ‘grondmateriaal’, altijd: dat is onze muziek, dat is onze cultuur, dit is Europa op zijn best.

Na afloop wisselde de violist (Sokolov, uit de Oekraïne, waar ze ook weten van het typische aksak-ritme, lang/kort, dat zo kenmerkend is voor de centraal-Europese volksmuziek) nog een paar woorden met de dirigent. Hij zei dat het tempo nog wat omhoog kon… onbegrijpelijk, want de camera registreerde af en toe de toch al waanzinnige snelle bewegingen van zijn linkerhand… en direct daarna stommelde het gezelschap het lokaal uit. Op naar de koffie.

Meer dan welke kunstvorm ook, brengt muziek een soms lijfelijke ervaring, en ik bleef even knock-out geslagen achter, onverwacht gegrepen door wat ik had gehoord, en door het wonder dat ik dit op zo grote afstand in tijd en ruimte mocht meemaken. De informele opname, ver van een concertzaal met musici en bezoekers in het pak, en ver van dat eeuwige applaus, bracht de muziek zo nabij dat het leek of zij bezit van mij had genomen.

Lassus: Moeder

De wereld van de lichte muziek is veelzijdig, maar dat het wijsje waarmee de film Midnight in Paris besluit (nadat het aan het begin ook al ergens klonk) de titel heeft ‘Als je mijn moeder ziet’ (maar dan in het Frans, ‘Si tu vois ma mère’) in een arrangement voor big band van Sydney Bechet—als ik tenminste de soundtrack van de film mag geloven—dat leert je in ieder geval dat deze titel niets te maken heeft met het geluk dat de hoofdpersoon op dat ogenblik overkomt. De perfect getimede inzet van de muziek op een regenachtige Parijse avond, terwijl hij, onze held de verkoopster van een oude Cole-Porter-lp opnieuw ontmoet en haar naar huis mag begeleiden (al spreekt hij, de boef, alleen over ‘a cup of coffee’ dat hij haar wil aanbieden), die inzet doet de toeschouwer meedelen in dat geluk. Met het er tot en met de aftiteling ingestampte melodietje in het hoofd gingen ook wij huiswaarts.

Daar bood, wat later op de avond, radio 4 enkele liederen van Schubert. Er is wel moed voor nodig om in 2011 nog eens met zijn Ave Maria, die andere moeder, aan te komen. Het was een smartlap en het blijft een smartlap, en van Schubert kan je veel zeggen (dat gebeurt tegenwoordig trouwens ook, want de speculaties over zijn vroege dood ‘sluiten niets uit’ zoals dat heet), maar echt gelovig kan hij, zo te horen, niet geweest zijn. Het lied heeft iets klagerigs, iets verongelijkts, ongelukkigs. Kom op, man!

Grotere tegenstellingen vielen er die avond niet te beluisteren. Er is, ik schreef het al eerder, geen emotie die niet door muziek is te verklanken. En ach, die ‘moeder’, van hier of van boven, misschien was die niets meer dan een aanleiding tot een lekker wijsje, meer niet…

Lassus: Inwendig

Syrinx was haar naam. Zij was een kuise nimf, die al vaak ‘opdringerige saters had afgetroefd, of godenvolk dat graag verpoost in schaduwrijke bossen en vruchtbaar veld’, zo, althans, staat het letterlijk in Ovidius’ Metamorphosen, het tweeduizend jaar oude meesterwerk dat de avonturen van goden, halfgoden en mensen beschrijft. Toen Pan, de ruwe bosgod, haar begeerde, vluchtte zij voor hem tot een brede rivier haar stuitte. Waternimfen, door haar te hulp geroepen, snelden toe en transformeerden haar in moerasriet. Pan, denkend haar te grijpen, pakte alleen het riet en zijn gejaagde adem veroorzaakte een ‘klagelijk geruis’ in de holle stengels. ‘Met bijenwas aaneengevoegd, van groot naar klein’ was de panfluit ontstaan.

Claude Debussy schreef in 1913 een stukje voor fluit solo van nog geen drie minuten, dat (later) de titel Syrinx kreeg en dat, begrijpelijk, door alle fluitisten ter wereld wordt gekoesterd. Het bestaat uit enkele lange curven, en is bepaald niet een melodie die wij gemakkelijk kunnen nazingen. En toch, na een paar keer luisteren, vat je de wetmatigheid, voegt je inwendige oor de harmonische bedding toe waarin die muziek naar ons toe stroomt. Debussy helpt ons daarbij door het ‘verhaal’ op cruciale punten te versnellen of te verdichten, door toe- of afnemende klank, door herhalende intervallen en motieven, door rustpunten. Alle elementen van de muziek zijn door hem dienstbaar gemaakt aan haar zeggingskracht. Dat geeft ons, aandachtige luisteraars, de mogelijkheid een klein beetje ‘medeschepper’ te zijn van deze prachtige klankboog.

Lassus: Ineens

De ‘rode doos’ in Utrecht is een tijdelijke concertzaal die dienst doet zo lang ‘Vredenburg’ niet vernieuwd is. Het gebouw ligt buiten de stad, verborgen tussen talloze snelwegen, maar toch arriveerden wij op tijd, zij het in een wolkbreuk. Waarom is het loket voor de kaartverkoop buiten het gebouw in de openlucht gesitueerd? Tot de laatste plaatsen achteraan, die ons waren toegewezen, hing in de zaal een geur van natte windjacks vermengd met zweet, veel oude-muziek-liefhebbers zitten blijkbaar liever op hun doorweekte jas dan dat zij deze voor een paar centen aan de vestiaire toevertrouwen.

Desondanks beginnen wij opgewekt te luisteren naar de afsluiting van het festival oude muziek, met de Maria-Vespers van Claudio Monteverdi, in zijn jonge jaren (eind 16e eeuw) altist en componist aan het hof van Mantua, en later de baas over de muziek (maestro di cappella) in de San Marco in Venetië—in die tijd wel de mooiste functie die een musicus in Italië kon bekleden. Het meesterwerk wordt prachtig gespeeld en gezongen—maar helaas, wij zijn ook maar een mens. Gaandeweg verslapt onze aandacht: bijna twee uur gaat dat door, zonder enige pauze, wat denken ze wel? Wij worden immuun voor de schoonheid, wij willen koffie en frisse lucht, en wij hebben ineens genoeg van al die freaks om ons heen voor wie Vivaldi en Monteverdi en Sammartini en Jommelli en Corelli en noem al die i’s maar op, goden zijn, en Ton Koopman hun profeet, wij hebben genoeg van al die vreselijk slecht geklede vrouwen die nog nooit een streep lipstick hebben gezien, van al die mannen met die kleine tassen die dwars over hun lichaam hangen (het veel te dikke festivalboek zie je eruit puilen), wij hebben genoeg van de dikke dame die voor het ensemble op steeds dezelfde manier de maat slaat terwijl ze af en toe ook nog aan de snaren plukt van een krankzinnig grote luit die ze heeft aangegord—en, wij durven het nauwelijks te bekennen, wij krijgen ook genoeg van Monteverdi.

Doe nooit wat wij deden, ga nooit de zaal uit, voordat het applaus is afgelopen, zelfs als het zo mateloos is als nu: het leek wel een opera, iedere zanger, iedere musicus kwam nog weer apart het toneel op. Maar wij verlangden naar buiten, naar dingen die niet mogen, naar roken, naar drinken, naar eten, naar onzin, zelfs naar al die andere muziek waar wij niet van houden. Kul-tuur kan ineens te veel zijn.

Een van onze klanten vergelijkt onze AMR DP-777 met de Moon 650d van Rhapsody. Leuke vergelijkingen om met jullie te delen, geen simpele strijd…

Deel 1

Inmiddels heb ik mijn MacBook ge’upgrade naar OSX Lion. Ik gebruik een ander programma (Audirvana) om mijn flac’s af te spelen (voorheen AIFF in iTunes). En ik heb de kabel voor de AMR vervangen door een fatsoenlijke USB 2 kabel. De problemen met kliks lijken verholpen te zijn.

Echter Audirvana stuurt de DACs aan met de sample rate van het bronbestand dus er gaat nu minder data over de kabel bij het afspelen van Redbook. Dit kan ook de oorzaak zijn dat het nu zonder kliks werkt. Vanavond ga ik daarom nog wat 192Khz bestanden testen via Audirvana. Met iTunes had ik het verschijnsel dat beide DACs continue 192kHz aangaven. Misschien kan ik daarom voor iTunes beter een bepaalde plugin gebruiken?

Verder: volgens mij klinken de spelers nu al anders dan op dag één. Het inspelen lijkt inderdaad iets te doen. Aan de andere kant doet het mij twijfelen aan mijn eigen oren. Meer luisterwerk voor de boeg 🙂

Deel 2

Mijn eerste indruk. De Moon is erg ‘strak’, de timing is geweldig van deze speler. De AMR wordt niet zoek gespeeld (staat zijn mannetje), die klinkt een snipper warmer. Beide spelers moeten nog wat verder ingespeeld raken denk ik.

Mijn Stello wordt door beide spelers nu al wel zoek gespeeld. Op alle voor de hand liggende onderdelen: helderheid, diepte, stilte, souplesse etc.

Caspar: wanneer ik de AMR met SPDIF aanstuur lijkt hij te klinken zoals de AMR cd speler die ik bij jou ook hoorde: warmer, minder detail/helder. Over USB komt de AMR echt los en klinkt dan super transparant.

Michael: ook de Moon klinkt schoner over USB dan over SPDIF! Nu gaat iedereen zeggen dat mijn SPDIF signaal knudde is, maar dat is niet zo 🙂 En ga je op de site kijken bij Moon dan hadden ze bij de 650d een heel verhaal over waarom USB er alleen bij zit voor gebruikersgemak. Dat verhaal is naar onderen verplaatst met de opmerking: “applicable to units built before November 2011”. USB mits asynchroon kan echt beter klinken dan SPDIF, daar ben ik nu van overtuigd. Grappigerwijze kan ik e.e.a. vergelijken met de cd-speler die de 650d ook aan boord heeft. Dat klinkt vrijwel identiek (een mooie pluim voor “computer audio”). Probeer het zelf ook maar eens uit. Of kom luisteren 🙂

Beide spelers geven over USB af en toe kleine tikjes in het signaal. Kan aan de draden liggen. De draad aan de Moon is goed, maar wat aan de lange kant. De draad aan de AMR is knudde, ga ik zo nog even vervangen. Deze oplossing (async USB met computer) vergt zoals ik verwachtte wel het nodige huiswerk en knutselen.

Bjorn: Linn nog niet binnen, ben stik nieuwsgierig natuurlijk 🙂

Tot zover mijn avonturen in audio-land. Als alles ingespeeld is, geef ik weer opnieuw mijn indrukken natuurlijk! Iedereen is welkom om te komen luisteren uiteraard. Maar ik begrijp dat jullie misschien wel wat beter te doen hebben, zie maar.

Deel 3

Gisteravond heb ik wat hoge resolutie bestanden geprobeerd die ik eerder eens van Linn Records had gedownload. Dat werkt nu allemaal zonder hickups en … tja, dat trekt wel een extra register open op mijn systeempje. Wow! Wow met beide spelers overigens.

Dit alles met een ietsie pietsie voorkeur voor de Moon. Maar wederom: alleen via USB, via SPDIF hoor ik echt geen verschil. Houdt deze voorkeur oorzakelijk verband met psychologische factoren? Dat ga ik laten nahoren (van nakijken) door wat andere audiofielen in mijn omgeving. Morgen komt Jean-Paul luisteren, die heeft goed geoefende oortjes weet ik. Ik ben benieuwd. Bovendien kunnen zij mij helpen om iets aan te zetten zonder dat ik zelf weet met welke speler. Dat wordt nog een interessante les voor mij 🙂

Deel 4

Gisteren rustdag, maar wel even een filmpje gekeken met geluid over de DP 777. De film was… de goede oude Blade Runner (heel netjes geremasterd in de directors cut). De ambient-achtige muziek in deze film is van Vangelis. Toch wel een leuke ervaring. Wat een ruimte zit er ineens in deze film (die ik al 10x keer gezien heb). Het gaat mij primair om de muziek, maar ook voor film heeft een goede DAC voor een toegevoegde waarde. Natuurlijk is mijn huidige Stello daarvoor ook nog heel geschikt, dat blijft een optie voor het geval ik het geluid van de Linn het mooiste ga vinden.

Vanavond een interessante luister- en knutselsessie met de HiFace (Async USB -> SPDIF) van M2Tech om te kijken of het verschil tussen SPDIF en USB te maken heeft met mijn bron (Squeezebox Touch met software tweak van Soundcheck en lineaire voeding) Daarover later dus meer.

Deel 5

Dat was een hele interessante luistersessie deze avond. Jean-Paul heeft mij enorm geholpen met de verdere beeldvorming over de apparatuur.

Ten eerste constateerde JP net als ik het verschil met SPDIF via mijn SqueezeBox Touch vs USB en MacBook. Het klinkt beduidend transparanter via USB. Vervolgens het verschil tussen de twee DACs, beide aangestuurd via USB. Ook volgens JP klinkt de Moon toch wat “ruimtelijker” en “helderder” dan de AMR. Het is geen verschil van dag en nacht, zeker niet. De AMR klinkt fantastisch, maar de Moon klinkt fantastischer (om maar’s wat goed Nederlands te bezigen). Dat mag dan ook wel, gezien deze twee keer zo duur is. Een oneerlijke vergelijking misschien, maar vergeet niet dat de Moon ook een cdspeler aan boord heeft, waarvoor je natuurlijk ook betaalt. De AMR lijkt een snipper warmer te klinken. Zou dit verband houden met de buisjes? Volgens Bjorn betekent het gebruik van buizen niet per se dat het warmer klinkt.

Maar nu even wat anders: JP had zijn Bel Canto 2.5 en HiFace van M2Tech mee. HiFace heeft die andere implementatie van async USB (die tot mijn ongenoegen niet compatible is met Linux). Moon en AMR gebruiken de XMOS chipset waarvoor zowel OSX als Linux standaard drivers aan boord hebben.

We hebben het volgende uitgeprobeerd:

Windows Laptop -> USB -> HiFace -> SPDIF -> Moon 650d
vs MacBook -> USB -> Moon 650d

Dit klonk naar ons beider mening vrijwel identiek! Conclusie: ik moet mijn mening over SPDIF nuanceren. Met SPDIF kan het ook heel, heel goed klinken. Mijn vertrouwen in de Squeezebox Touch heeft een (wellicht voorspelbaar) deukje opgelopen. Leuk getweakt en alles, maar de SB legt het toch af tegen de HiFace oplossing.

Nog een interessante test:

Windows Laptop -> USB -> HiFace -> SPDIF -> Bel Canto 2.5 vs MacBook -> USB -> Moon 650d

Naar onze mening had dit een zeer onverwachtte uitkomst: wij hoorden weer geen verschil! Echt gek, het zijn totaal andere apparaten. Zijn we dan ongetrainde audio-beten? Van mij mag dat gezegd worden, maar JP is echt goed geoefend in deze. Is mijn systeem niet instaat de verschillen te vertolken? Kan, maar het systeem is bepaald geen flutje. De HiFace is een hele slimme oplossing voor mensen die value for the money willen. Zij kunnen computer audio combineren met super geluid en wellicht ook tweedehands een hele interessante DAC daarbij vinden (die wel SPDIF heeft, maar nog geen async USB).

Belangrijkste aspect van de avond: we hebben lekker muziek zitten luisteren. De set is toch wel heel volwassen aan het worden zo. Ik ben dus bevestigd dat de aanschaf van een nieuwe bron de moeite waard zal zijn.

Morgen de Linn…

Deel 6

Deze moest het gaan opnemen tegen de Moon (sorry Caspar!). De Moon had mij al behoorlijk in de ban met zijn “impeccable timing”. Deze zeer precieze timing maakt dat je zo de muziek ingesleept wordt. De Moon klinkt iets helderder dan de AMR, maar ook wat “slanker”.

Deze avond heb ik geluisterd samen met mijn broer, Frank. Hoorden we verschil? Ja zeker, een behoorlijk verschil zelfs.

Relatief vind ik de Moon “droger”, strakker dan de Linn. De Linn heeft naar mijn idee meer souplesse, meer “rondingen”. Ik heb het gevoel dat de Linn ook iets meer dynamiek in huis heeft tov de Moon. Het klinkt meer alsof het van vlees en bloed is, maar zonder dat dit ten koste gaat van detail, in tegendeel. De Linn geeft meer informatie over de acoustiek van de opname, waardoor ik sterker het gevoel krijg erbij aanwezig te zijn. De presentatie van de Linn is in mijn systeem groter dan die van de Moon. Qua timing en controle over de lage tonen is de Moon wellicht een snipper strakker. De Linn klinkt ook strak, maar bij de Moon valt het mij meer op.

Heb ik al een keuze gemaakt? Ja, het gaat een Linn worden. De Linn past qua klank het beste in mijn set vind ik. Alles is natuurlijk afhankelijk van het totale recept en de ruimte waarin je e.e.a. zet. Het geluid van de Linn geeft mij een gevoel van thuiskomen en dat is voor mij een clue die de keuze vergemakkelijkt.

Toegegeven, we misten de bijbehorende milde Griekse avondlucht. We keken iets te vaak (en van te dichtbij) in het mombakkes van dirigent Simon Rattle, die zeven jaar geleden de Berliner Philharmoniker stond op te zwepen, dan wel te temmen—maar de televisie-opname in een oeroud amfitheater bij Athene (op de achtergrond nog een tempeltje op de Acropolis) was goed bedacht. Of dit ‘Europa’-concert anno 2011 nog vanuit Griekenland zou worden uitgezonden, is een andere vraag, maar die heeft, gelukkig, niet met muziek te maken…

Het was Johannes Brahms, en hoe! Een bewerking van zijn eerste pianokwartet voor groot orkest (ja, gemaakt door die Arnold Schönberg over wie wij eerder schreven), wat een geweldige muziek, de ritmische vondsten, de prachtig golvende melodieën, en tot slot het werkelijk opzwepende ‘Rondo alla zingarese’, de uitzinnige vreugde van een zigeunerbruiloft… dat alles bedacht door die zware, sigaren rokende, ’s nachts zwarte koffie drinkende Duitser met zijn grote baard: een eerste klas mens die van een eenvoudige levensstijl hield en (grote kwaliteit in het Wenen van zijn jaren) geen goed woord overhad voor het alom aanwezige anti-semitisme.

Hij was geen vernieuwer, hij zette met zijn oeuvre de kroon op wat ieder mens als ‘klassieke’ muziek beschouwt. Na hem stierf het Weense klassicisme langzaam af en de muziektaal viel uiteen in een Babel van rivaliserende dialecten (ontleend aan Alex Ross, Listen to this, New York 2010). Maar voordien schonk hij ons zijn vier symfonieën, zijn late kamermuziekwerken waarin de klarinet zo’n hoofdrol in speelt, zijn vioolsonates, maar ook zijn Liebeswalzer—en al luisterend zoek je naar een gemeenschappelijke noemer van al dat moois. Is het melancholie? Is het levensvreugde? Of allebei?