Blog

Dropdown - blog

Toegegeven, we misten de bijbehorende milde Griekse avondlucht. We keken iets te vaak (en van te dichtbij) in het mombakkes van dirigent Simon Rattle, die zeven jaar geleden de Berliner Philharmoniker stond op te zwepen, dan wel te temmen—maar de televisie-opname in een oeroud amfitheater bij Athene (op de achtergrond nog een tempeltje op de Acropolis) was goed bedacht. Of dit ‘Europa’-concert anno 2011 nog vanuit Griekenland zou worden uitgezonden, is een andere vraag, maar die heeft, gelukkig, niet met muziek te maken…

Het was Johannes Brahms, en hoe! Een bewerking van zijn eerste pianokwartet voor groot orkest (ja, gemaakt door die Arnold Schönberg over wie wij eerder schreven), wat een geweldige muziek, de ritmische vondsten, de prachtig golvende melodieën, en tot slot het werkelijk opzwepende ‘Rondo alla zingarese’, de uitzinnige vreugde van een zigeunerbruiloft… dat alles bedacht door die zware, sigaren rokende, ’s nachts zwarte koffie drinkende Duitser met zijn grote baard: een eerste klas mens die van een eenvoudige levensstijl hield en (grote kwaliteit in het Wenen van zijn jaren) geen goed woord overhad voor het alom aanwezige anti-semitisme.

Hij was geen vernieuwer, hij zette met zijn oeuvre de kroon op wat ieder mens als ‘klassieke’ muziek beschouwt. Na hem stierf het Weense klassicisme langzaam af en de muziektaal viel uiteen in een Babel van rivaliserende dialecten (ontleend aan Alex Ross, Listen to this, New York 2010). Maar voordien schonk hij ons zijn vier symfonieën, zijn late kamermuziekwerken waarin de klarinet zo’n hoofdrol in speelt, zijn vioolsonates, maar ook zijn Liebeswalzer—en al luisterend zoek je naar een gemeenschappelijke noemer van al dat moois. Is het melancholie? Is het levensvreugde? Of allebei?

Net als de muziek van Händel, die het grootste deel van zijn leven in Engeland woonde en daar zo beroemd werd, dat zijn begrafenis in Westminster Abbey door duizenden werd bijgewoond (en, natuurlijk ook het werk van Edward Elgar), is die van William Walton (1902-1983): met veel gevoel voor het grote gebaar, nooit benepen van klank of inhoud, royaal—ja, ‘royal’, dat is het woord: niet voor niets kreeg Walton opdrachten om muziek te schrijven bij Engelse kroningen, die van George VI in 1937 en later bij de troonsbestijging van koningin Elisabeth.

Kort na elkaar hoorden wij zijn vioolconcert (1937), weergaloos gespeeld door de Japanse Midori (een ‘Prom-concert’) en zijn celloconcert (1956) (een Robeco-zomerconcert met Quirine Vierssen, ook zeer goed). Wat een schitterende muziek, zeker, de ‘vooruitgangsfreaks’ zullen haar misschien ouderwets vinden, maar voor ons waren het klanken van deze tijd, ritmisch interessant en origineel, met een enorme vitaliteit, veelal overstraald door thema’s van sensuele melancholie (kan dat?) en een onvergankelijke glamour, alles bekwaam en verrassend georkestreerd.

Koop die muziek, en luister aandachtig—het vioolconcert, geschreven voor de grote Jascha Heifetz is verbluffend virtuoos. Er is een opname van Midori zelf, en wie de oorspronkelijke opname van het celloconcert door de held Gregor Piatigorsky met het Boston Symphony Orchestra onder Charles Munch kan krijgen, mag dat niet nalaten. Op het puntje van de stoel—daar kom je onherroepelijk terecht!

Lassus: Pikmuziek

Het is op de kop af alweer honderd jaar geleden dat de muziek aan een radicale vernieuwing werd onderworpen. Na de eindeloze melodieën van Richard Wagners opera’s (die eindeloosheid werd mogelijk gemaakt door het steeds wentelen in andere toonaarden), en de naar de smaak van sommigen overspannen verklanking van alle hemelse (en af en toe ook minder hemelse) gevoelens van Gustav Mahler in zijn symfonisch oeuvre, was het tijd voor iets anders: het leek er even op of de westerse muziek aan een eindpunt was gekomen.

Koplopers hebben waardering voor de muziek van Arnold Schönberg die omstreeks 1910 de twaalf tonen binnen het octaaf op een vooral niet logische volgorde plaatste (de luisteraar zou er anders misschien een wijsje in kunnen horen) en zichzelf, enkele duidelijk omschreven uitzonderingen daargelaten, verbood die volgorde binnen zijn compositie te veranderen: iedere noot, hetzij verticaal (als ‘harmonie’) of horizontaal (als ‘melodie’), moest zijn plaats ontlenen aan de gekozen ‘reeks’. De twaalftoonsmuziek was geboren. Dat Schönberg en zijn volgelingen Anton Webern en Alban Berg er toch nog in slaagden met deze beperkingen tot meer dan aanhoorbare, ja, soms aangrijpende muziek te komen, pleit voor hun talenten, maar ook voor de onverwoestbare levenskracht die muziek, in welke vorm dan ook, heeft.

Tot in de jaren ’60 vond deze twaalftoonstechniek (ook ‘dodecafonie’ genoemd) nog steeds veel aftrek bij de avant-garde, zij het dat de voorschriften inmiddels aardig waren aangelengd met minder rigide mogelijkheden. Toch wordt vandaag de dag ingezien dat de basis van bijna duizend jaar westerse muziek, onze twaalf ‘majeur’- en onze twaalf ‘mineur’-toonsoorten nog steeds de bouwstof kan bieden aan de componist van onze tijd die zijn gevoelens muzikaal wil vormgeven. Mensen als Frank Martin, György Ligeti, Alfred Schnittke—je kan er gemakkelijk nog tien of twintig opnoemen—zijn hiervan het bewijs.

Dit kleine, misschien weinig opzienbarend stukje muziekgeschiedenis, mag dienen als inleiding tot een volgende column over muziek van de Engelsman William Walton waar Lassus veel bewondering voor heeft.

Lassus: Bons

Ze heeft de bons gekregen. Gisterenavond maakte hij het uit. Hij heeft een andere dame—en wil die al heel gauw trouwen. En daar zit ze nu, mooi, dat wel, maar ook droevig en boos. Zal ze hem nog een keer bellen?

En waarachtig, dat doet ze. En dan is het, met onderbrekingen en afbrekingen, een uur lang woede, verdriet, janken, flemen, alles wat er bij hoort… nee, je krijgt je brieven niet terug, ik wil niet dat je weer in dat hotel slaapt waar wij… zie ik je toch nog eens… als vrienden… waar ben je dan vandaag… kunnen wij niet… maar waarom dan toch… we waren toch… weet je nog, toen in Versailles… je weet niet wat ik me zal aandoen… het snoer van de telefoon…

Een uur lang, echt waar. Daar wil je niet bij zijn, het gaat je niet aan en het helpt niet, dat weet je vooraf. Maar Francis Poulenc, de vreemde snuiter, heeft met La voix humaine een werkelijk onvergetelijke solo-opera op de briljante monoloog van Jean Cocteau gecomponeerd. Het Franse telefoonnet was een eeuw lang het slechtste ter wereld, verbindingen werden plotseling afgebroken en moesten door tussenkomst van telefonistes worden hersteld. De xylofoon geeft wel tien keer het geluid van de telefoon die overgaat. Alle emotie, het hele spectrum wordt door de prachtige instrumentatie, door de kleine, soms licht-ordinaire melodieën, maar meestal alleen door geraffineerde motiefjes uitvergroot.

Alles, alles kan door muziek worden uitgetild boven het persoonlijke, het eenmalige en geplaatst in een universeel licht dat voor ons allen schijnt.

Lassus: Sidderingen

Tussen al die slappe walsen van de drie Straussen (Johann sr., Johann jr., Josef, je weet natuurlijk dat Richard niet in dit rijtje thuishoort, hoewel…), tussen al die Oostenrijkse rommel (ja, Lassus begint het jaar heel boos) dook tijdens het Nieuwjaarsconcert ineens de Mephistowals van Franz Liszt op. Tja, vanaf de eerste maten weet je dan meteen wat échte muziek is – wat een ongelofelijke suspense, wat een angstaanjagende sidderingen weet onze Hongaarse held (compleet in priestergewaad gestoken, want om zich nog interessanter te maken dan hij al was, trad hij toe tot een lagere priesterorde) in de luisteraar op te wekken! De paar intervallen waar het hoofdthema op gebouwd is, zijn een aardige vondst, meer niet. Maar alleen een genie, een toneelspeler van mega-formaat (de grens tussen schijn en werkelijkheid compleet vervaagd), een man van het brede gebaar, en bovenal alleen een gedrevene kon met die betrekkelijk eenvoudige motieven tot zo’n meeslepend stuk muziek komen.

Tussendoor zagen wij op het scherm vier, vijf foto’s van Liszt voorbij komen, al vroeg wist hij zich geweldig interessant te presenteren, met die vreemde, fascinerende kop waarop ergens nog een monsterachtige puist zit. En het fenomenale pianospel (het moet verbluffend zijn geweest) deed de rest. Europa, en daarvan vooral het vrouwelijke deel, lag aan zijn voeten. En terecht. Een edelmoedig mens, die alles overhad voor zijn afschuwelijke vriend Richard Wagner en overal mensen hielp waar hij kon, een groot kunstenaar en componist, een complexe persoonlijkheid wiens werk dit jaar (hij is tweehonderd jaar geleden geboren) vaak te horen zal zijn. Ga er heen, niet alleen de Liebestraum is superieure muziek!

Lassus: IJzig

Ergens aan de rand van Amersfoort, op een oud industrieterrein was in een, volgens de laatste mode, tot theatertje verbouwde fabriek Henry Purcell (1659-1695, 36 jaar oud!) op bezoek. Zijn allerminst oudbakken muziek werd tot klinken gebracht bij een bewerking van Andersens sprookje ‘Het meisje met de zwavelstokjes’. Zou dat nog de aandacht vasthouden van kinderen, grootgebracht met agressieve en exotische games? Een violiste in sneeuwpak gehuld, een vibrafonist (idem) mixten om en om Purcells wijsjes met minder fijnzinnige, maar net zo boeiende klanken van de jazz-violist Oene van Geel, en ademloos luisterden en keken een paar honderd kinderen en ouderen naar het verhaal van het meisje dat in de wereld van ijs en sneeuw haar uiteindelijke rust en bestemming vindt.

Ook in visueel opzicht was door een symbiose van oude en nieuwe technieken een ideaal toneelbeeld geschapen: tegen een decor van levende lichtbeelden van een ijzig, vrijwel verlaten Noors sneeuwdorpje voltrok zich de werkelijkheid van het verlaten mensenkind, door wintergeesten naar het winterparadijs gelokt.

Wat een voorrecht om in een tijd te leven waarin oud en nieuw op zo’n werkelijk kunstzinnige manier worden verweven!

‘Holland Opera’ komt in 2011 terug met Shakespeare’s De storm op fort Rhijnauwen bij Utrecht. Ga er heen, met of zonder kinderen.

Op bezoek bij GIP

In June 2011 we had the honor to visit G.I.P. Laboratory in Japan for two days, and hear seven of their systems!

All G.I.P. units are field coil drivers, like the Western Electric originals. Field coil units are more complicated to manufacture than normal drivers, instead of a magnet they use an extra coil to generate the field. This coil needs to be powered, so a power supply is needed. Field coil technology went out of fashion when magnet production technology improved. In general it was a step forward in speaker evolution because they became a lot cheaper to manufacture, however for ultimate quality you still need field coil technology. These field coil drivers can reproduce music with a level of definition, uncompressed dynamics, and with a live feeling that is simply beyond reach for even the very best normal drivers.

When you see the construction of these drivers, you start to realize that the Western Electric engineers did an incredible job, both in designing and manufacturing them. Some parts look more like space age technology than something from the 1930’s. Even by today standards it’s high-tech engineering and their construction surpasses any modern driver. We could compare various original Western Electric parts with the G.I.P. replicas. Suzuki-san of G.I.P. makes no compromises, everything is machined to the highest standard. Many prototypes were made (f.i. some 30 prototypes of the paper cone for the 18″ woofer, the reproduction of the 594A diaphragm took over two years of trial and error testing). You start to realize it’s a nearly impossible project to re-manufacture all these parts exactly, it takes lots of time, experience, knowledge, huge investments, and highly skilled craftsman in various fields. All this made it a bit easier to understand why these drivers have to be so expensive.

We had a chance to compare the JBL-376 compression driver to the GIP-594A (GIP’s exact copy of the Western Electric 594A), both without horn, the difference is huge, the JBL sounding typical midrangy, what you expect from a compression driver. However the 594A sounded so much better, full range, clearly defined and very dynamic, you can actually enjoy listening to this driver without horn, it’s remarkable.

The first system we listened to consisted of a double GIP-4189 8″ woofer and a GIP-597A tweeter compression driver on a 211 single ended triode amplifier. Beautiful, subtle music reproduction, lots of deeper magic.

Next we listened to was the GIP-826 with a GIP-4601A 18″ woofer and a GIP-5015A compression driver on a 4 cell horn. This system is pure heaven for normal rooms. Very addictive, musical reproduction. We also listened to this system in combination with a 597A tweeter, but we preferred it without, it sounded more coherent, more real and we didn’t miss anything.

We compared the GIP-594A to the GIP-5015A, both are very similar, but the 594A is constructed with more expensive parts and materials (5015A is almost half the price of the 594A, however still very expensive). Their performance is very close.

Then we compared the GIP-5015A to the GIP-555, they’re not designed for the same purpose, but it’s still very interesting to get to know the differences between these marvelous drivers. First we listened to them without horn. Comparing voices on the 555 vs 5015A, the 555 sounded more full range, it’s a very special driver with beautiful mid-lows, on the 5015A the voice balanced more towards the highs, it has a beautiful, delicate and highly refined mid/high reproduction. The 555’s efficiency is much lower and it’s highs are less extended (the 597A tweeter is designed for combination with the 555). Adding the adapter to 555 (as in the picture above) increased it’s efficiency, but we could hear the same basic differences in character.

Then we listened to the GIP-7003 system with GIP-4181A 18″ woofer, GIP-594A with 4 cell horn and GIP-597A tweeter. Incredible live sound, totally relaxed and extremely dynamic at the same time.

The GIP-7005 system uses a 10 cell horn and adds a second 18″ woofer. After hearing the GIP-7003 system we didn’t expect much room for improvement, but the GIP-7005 added even more realism, and not only with big orchestras.

Thereafter we went to another demo room where we could listen to the GIP-5005 on a 211 SET amp. The GIP-5005 is big system which is suitable for small rooms. It’s bass ports are placed on top. It had a 10 cell horn, this time driven by the GIP-5015A.

Up to the next demo room, the huge GIP-7396 system, a replica from the Western Electric TA-7396. The big GIP-7005 we heard earlier is a downsized version of this one, but it sounded just as big to us. This was driven by a 300B push-pull amp. The dynamics these systems can reach are frightening, but at the same time they keep sounding totally relaxed all the way, no hint of compression or distortion. Setup of this system is difficult, we were told.

The GIP-9700A system pushes the envelope with no-compromise versions of the field coil drivers: two GIP-9461 18″ woofers (30kg each), a GIP-9101 compression driver (this driver weighs 45kg, that’s without the wooden horn!), and a GIP-9501 horn tweeter. These drivers incorporate a larger field coil and other improvements over the Western Electric originals, resulting in a 3dB higher sensitivity than the WE-594A and TA-4181. What can I say about the sound? Well all the magic as described before and more. Very natural reproduction. With a single 300B amp this system can blow you through the ceiling.

Lassus: Hoffelijk

Veel familieleden (van wie hier zijn oom Louis verdient genoemd te worden) van Francois Couperin (1668-1733) speelden en schreven voor orgel en klavecimbel, maar hij is de beste, geen componeerde zulke elegante muziek als hij. Hij was in Parijs organist aan de oude, mooie St.Gervaiskerk (waar het geslacht Couperins meer dan 170 jaar die functie had vervuld en waar nog steeds orgelconcerten gegeven worden), en daarnaast was Couperin in hofkringen een gevraagd muziekleraar. Later was hij als klavecinist verbonden aan ‘Les musiciens du roi’. De ‘concerts royaux’, muziek voor zondagmiddag aan het hof, en zijn ‘Pieces de clavecin’, de vocale Lecons de ténébres (muziek voor de vroegste eredienst in de week voor Pasen), allemaal prachtige verfijnde muziek die Franse ‘clarté’ en distinctie ademt. Couperin hechtte veel waarde aan de versiering (‘les agrements’, het ornament, trillers, voorslagen e.d.), en gaf daarvoor nauwkeurige instructies in L’art de toucher le clavecin (1716).

Welke van de 234 stukjes voor klavecimbel van Francois je ook hoort, je krijgt er altijd een goed humeur van, of ze nu in een vrolijke of een droevige toonsoort staan. Hoe komt dat? Zou het zijn omdat die muziek je niets opdringt, bijna als vanzelf het woord respect oproept, en alles wat daar bij hoort: eerbied, een hoofs gebaar, aandacht, meelevend, maar toch met enige distantie? Zo evenwichtig is die muziek, zo vol charme, ze loopt niet te koop met eigen leed en vreugde, maar beschouwt het menselijk bedrijf met warme belangstelling – liefderijke portretten zijn het, vandaar dat ze vaak (schuil)namen kregen van kennissen en vrienden. Couperin zal wel een voorbeeld hebben genomen aan zijn broodheer zelf, Lodewijk XIV, de ‘zonnekoning’ van wie men zei: ‘Zijn woorden, zijn glimlach en zelfs zijn blik waren van nature zo hoffelijk, en bovenal zijn gedrag tegenover vrouwen. Voor het minste kamermeisje nam hij zijn hoed af. Het kleinste gebaar, zijn loop, fysiognomie, alles was gematigd, edel, groot, majesteitelijk – en bovendien natuurlijk!’

Tot zijn dood zou de via Lissabon naar Madrid geëmigreerde Napolitaan Domenico Scarlatti (1685-1757) aan het Spaanse hof verbonden blijven, eerst onder de pathologische klem van de geesteszieke, depressieve Philips V, die de hele hofhouding drie, vier keer per jaar tussen de verschillende residenties heen en weer sleepte, later onder diens zoon Fernando. Zijn levenswerk bestaat uit enkele honderden ‘sonates’, in de eerste gedrukte uitgave getiteld Essercizi per gravicembalo, eendelige ‘etudes’ in eenvoudige tweedelige vorm.

Daar zit hij, eenzaam achter zijn klavecimbel in een van de honderden vertrekken in een kasteel op de Castiliaanse hoogvlakte – nu eens met ratelende loopjes omhoog, omlaag, vaak met gekruiste handen, virtuoos, tegen elkaar in, dan weer verraderlijk eenvoudig, majeur en mineur om en om, met onverwachte krasse dissonanten (‘een harmonisch gamma dat in zijn tijd ongekend was, zelfs bij een Bach’), de kleinste motieven vaak herhaald, als uitgangspunt voor een uit diamant gehakt juweel van drie, vier minuten, langer duren ze niet. Vijfhonderd-vijf-en-vijftig zijn het er, en er is geen muziek waarin zowel de scherp ‘geplukte’ snaar van het klavecimbel als het rommelige onweer van dat instrument (ik kan het niet beter beschrijven) mooier tot hun recht komen.

Horen wij echt hier en daar de castagnetten, het slaan van de gitaarakkoorden, de wijsjes van de ezeldrijver? Zou het waar zijn dat die honderden stukjes pas na zijn vijftigste jaar zijn ontstaan? Hij koos een eenvoudige muzikale vorm en week daar niet van af, maar daar binnen verkende en gaf hij jaren achtereen gestalte aan alle, alle varianten. Een gesloten, bijna volmaakt universum zonder voorland, zonder achterland.

Claude Debussy (1862-1918) had een scherp oor. Hij was 23 jaar toen hij in Rome twee missen hoorde, een van Palestrina en een van onze naamgenoot Orlando di Lassus.

‘De twee genoemde mannen zijn meesters, vooral Orlando, die decoratiever is, menselijker dan Palestrina… goed gehoord! Ook wij ondergingen een mis van Lassus, weliswaar niet in Rome, maar in de elfde-eeuwse Pieterskerk te Utrecht. De uitvoering van de dodenmis in het sobere interieur (in de zestiende eeuw hadden de volgelingen van Luther tijdens de reformatie alles stukgeslagen wat aan de katholieke rijkdom deed denken) was een indrukwekkende gebeurtenis. Opvallend is hoe de componist de stemvoering zo hanteert, dat ook de luisteraar die minder vertrouwd is met deze koormuziek voortdurend geboeid blijft: de ligging van de vijf stemmen is zo gevarieerd, dat je steeds weer nieuwe klankdraden oppakt, meestal op het moment dat je de vorige uit het oog/oor verloren bent. De inzetten, de afsluitingen, tja, een ‘live’ uitvoering door zo’n prachtig koor als Cappella Amsterdam in zo’n ideale omgeving – daar komen gevoelens bij boven die dichtbij een religieuze beleving liggen. ‘Melodieën’ in de (iets) latere betekenis van het woord kan je ze eigenlijk niet noemen; als de muziek niet zo mooi was, en de tekst niet zo heilig, zou je kunnen spreken van een onovertrefbare klank-spaghetti!

Heroin is heroin and I am an addict and I need more of it every day. The good news is we met the ultimate suppliers: G.I.P. Laboratory, hifiheroin and Silbatone.

They gave us so much music that we are in the clouds forever. On the left Western Electric 16B and the G.I.P. Laboratory system. We are very proud to have the latter in our store very soon. More info check here.

These guys are the most dedicated music lovers I have ever met.

No concessions and an ear for the best gear (not)available on the market.

It is just because of Suzuki-San, Joe, Jeffrey, Mr. Chang and his friends that we can bring the music so much closer to the brain, so much closer to our being, so much closer to us all.

We will work hard to make sure all music lovers in Europe will find us and have a great time listing to the G.I.P. Laboratory system. Than they will forget Audio totally and experience music only.

Thank you guys. We meet soon again for a nice hang out.

Lassus mocht incognito gast zijn op het feestje dat Audio-Life in zijn atmosferische locatie (een vroegere melkfabriek op het mini-industrieterrein van Buren) had aangericht. Uit de mooiste speakers kwam een ruim en gevarieerd aanbod aan geluid, en fanate audio-fans luisterden aandachtig naar hese zangeressen en afgrondelijk diepe contrabassen, naar exotische ritmes en ultramoderne pop – en wie daar even van wilde bekomen, deed zich tegoed aan de royale barbecue. De gemeenschappelijke belangstelling maakte dat jong en oud, arm en rijk, mooi of lelijk zich moeiteloos mengden in de hartelijke, ontspannen sfeer waarin wij werden ontvangen. Even later nam de uit Antwerpen ingevlogen band Thomas Champagne het geluid over, en wat een feest was het om die bekwame jongens te horen blazen, strijken, toetsen en drummen!

Maar voor ons, verstokte liefhebbers van klassieke muziek als wij nu eenmaal zijn, was het onverwachte hoogtepunt het eerste deel uit Haydns strijkkwartet op.9 no.4 dat tussen al het moderne geweld ineens als een troostrijke boodschap uit een andere wereld kwam aangezet – en dat ons meteen voor de onopgeloste vraag stelde hoe het mogelijk is dat het luisteren naar deze (en zo veel andere) tragische, weemoedige muziek toch zo’n grote voldoening en vrede kan schenken.

Is het misschien niet de inhoud, maar de vorm die zij heeft, waar het om gaat?