Blog
Alles wat enige potentie heeft proberen we meteen uit. Op de Cafe Engels show – waar we stonden met ons importbedrijf X-fi – krijg je natuurlijk een Music Emotion in je handen gedrukt. Dus wij lezen. Komen we een recensie tegen die te mooi is om waar te zijn. De Boston A25 monitorluidsprekers worden verder de hemel in geprezen dan welk ander product dan ook waarover we ooit hebben gelezen. Bijna belachelijk, maar tóch heeft het ons er toe aangezet te gaan testen met de Boston A25. We haalden ze in huis en gingen luisteren. Inderdaad: het is belachelijk goed wat deze luidsprekers doen, voor €259.
Vooral doordat de recensent roept dat zelfs de duurste Audio Note componenten (waar X-fi importeur van is) niet overdone zijn op deze zeer betaalbare luidsprekers, werden we geprikkeld. De Boston A25 kosten €259 per paar, dus dat vergelijk is redelijk absurd…
We hebben ze nu 2 dagen binnen. Op het eerste gezicht vonden we het er al goed uitzien: mooie kastafmetingen (looks, maar ook vooral voor het geluid), een ‘gewone’ softdome tweeter (klinken nog steeds natuurlijker dan al die keramische, diamanten, metalen tweeters die tegenwoordig overal opduiken), faseplug op de woofer (die overigens zo ontwikkeld is om met weinig vermogen veel te kunnen, belangrijk!). Toen aangesloten op het systeem waarmee we eigenlijk altijd spelen: 47 Labs. Onze indruk is: eindelijk, een extreem betaalbare luidspreker die ons helemaal past. Wat opvalt is hoe homogeen en gebalanceerd de Boston A25 speakers klinken. Je hoort de tweeter gewoon vrijwel niet als aparte driver en dat is uniek (geinig testje is om je hand even voor de tweeter te houden en weer weg te halen. Als je het dan ineens vervelend vind klinken, geeft de luidspreker gewoon te veel of geen goed hoog (95% van de speakers, ook peperdure). Als je echter meer hoort dan net, maar het hoog nog wel geintegreerd is in de muziek, dan zit het in principe goed). Dat kunnen de Bostons als geen ander. De dynamiek, energie en de natuurlijke klankkleuren zijn er in elk gebied, goed in balans. Dat maakt dat ze zo natuurlijk, gemakkelijk en uiteindelijk overtuigend klinken.
We ontdekken ook een paar nadelen. Het zijn typische inspeelverschijnselen – dus we laten nog weten of ze met de tijd verdwijnen – maar toch even noemen: je kunt niet keihard spelen, dan wordt het geluid rommelig. Ook is het geluid niet 100% los van de speakers, het zit er een beetje opgeplakt. Maat let wel: dit laatste is van secundair belang, het doet namelijk niets af aan de natuurlijkheid waarmee de speakers spelen. En laten we vooral benadrukken: voor €259 mag, nee MOET deze kritiek meteen van tafel. Het grappige is dat ze zo goed zijn, dat je meteen geneigd bent met topluidsprekers te vergelijken.
Hier gaan we nog flink mee doortesten. Met Marantz (icm met exact de juiste bekabeling is ons doel nu om voor maximaal <€1000 een set neer te zetten waarmee je nooit mee iets anders hoeft) maar natuurlijk gaan we ook de Audio Note Ongaku er eens opzetten. En dan de recensent bellen hoe dat klonk Het lijkt er hoe dan ook op dat de Boston A25 speakers heel goede apparatuur verdienen, de 47 Labs Shigaraki versterker was bijvoorbeeld echt niet overdone (terwijl die wordt gecombineert met de allerbeste speakers die er zijn).
‘Verzamelde Werken’, het klinkt naar iets plechtigs, iets wat in mooie banden ongelezen in de kast staat.
Doe nou eens wat ik zeg, ongeacht je muzieksmaak of je portemonnee. Ga nu, NU naar een fatsoenlijke cd-winkel en koop de doos met vijftien cd’s, samen de complete werken voor ‘fortepiano’ van Joseph Haydn, gespeeld door Ronald Brautigam (BIS-cd). Thuis gekomen, ga je naar je kamer, zet de eerste of de negende of de twaalfde of welke cd dan ook op, en ik voorspel je één ding: je blijft drie dagen achter elkaar luisteren. Depressie? Haydn. Liefdesverdriet? Haydn. Ruzies? Haydn. Zweren en puisten? Haydn. Er is geen beter, werkzamer geneesmiddel. O, die prachtige milde toon van de voorloper van onze moderne vleugel, het vlekkeloze, gevoelige en zo vitale spel van Brautigam, maar bovenal die muziek! Twee-en-zestig sonates en nog zesentwintig andere pianowerken schreef Haydn in zijn lange leven. Waar hebben we het aan verdiend? Klassiek, het juiste woord voor deze muziek in het perfecte midden tussen buiten en binnen, tussen rede en emotie, muziek in het centrum van de wereld. Dagen zocht Lassus naar het mooiste van al dat moois – ach, voor hem was het vandaag track 10 van cd nr 8, maar morgen is het weer wat anders. En voor jou is het ook weer anders – het stroomt altijd door.
Amper twintig jaar was de jonge Georg Friedrich Händel, maar hij wist al vroeg hoe hij zijn talenten moest verkopen. Geboren in een Duits provinciegat (een week voor collega Johann Sebastian) had hij al in Hamburg en Florence kleine triomfjes gevierd, en nu, in 1707, was hij voorlopig te gast bij een heuse markies met geld in Rome. Zo doe je dat.
Maar hij kon ook wat. Koop eens de cd Clori, Tirsi e Fileno (allemaal namaak-namen, het moest immers op de Griekse oudheid lijken), een niet van echt te onderscheiden Italiaanse cantate op een onbenullig herdersverhaaltje – twee verliefde jochies en een mooi herdersmeisje, maar die muziek! Eerst een echte ‘Franse’ ouverture waarvan het snelle deel omzoomd is door plechtige, hoekige passages, het lijkt wel of we een echt drama gaan horen; Tirsi, teleurgesteld dat hij haar maar niet krijgt; Clori, die haar liefde vergelijkt met die van door twee blokfluiten verbeelde nachtegalen; Fileno, die zijn trouw aan haar bezweert; opnieuw Tirsi, die in een razend virtuoos duo woedend zijn onlustgevoelens spuit op Fileno, die ze even woedend ondergaat, wat een inventiviteit en geestkracht! En dan zij weer – spijt, spijt, spijt, of is het alleen toneelspel? Je weet het nooit bij het andere geslacht!
Zo warm en mild klinken de strijkers en blazers van het kleine barokensemble, zo toegewijd is de klavecinist in zijn akkoordspel, zo bekwaam en gevarieerd die drie zangers. Zeker, gestoord word je soms van al die waardeloze barokmuziek die ze beter in al die stoffige archieven hadden kunnen laten liggen, maar ineens is daar dan zo’n juweeltje, dat weer eens bevestigt hoe veel en veel groter de Händels en Bachs zijn dan al die honderden anderen!
Een intieme of lollige gezelligheid mag, aldus H.J.A.Hofland in een van zijn regelmatige filippica’s tegen de presentatoren van Radio 4 (NRC 4-3-2011), niet worden opgeroepen door ‘klassieke muziek’ in combinatie met de intimiteit van de presentatie. ‘Daar is die muziek niet voor bedoeld.’
Muziek heeft sowieso geen bedoeling, en als zij die had, al helemaal niet om als een enkele malen elektronisch vervormd afgietsel van zichzelf, geheel losgemaakt van de musicus, in een paar honderdduizend Hollandse huishoudens te klinken, terwijl de stofzuiger aanstaat, de zogenaamde luisteraar zit te ‘werken’ of met zijn mobieltje speelt. Dat geluidsdecor is bovendien, zoals vrijwel alles in de wereld van de âmediaâ, de prooi geworden van de commerce. Hoe meer ‘intieme of lollige gezelligheid’, hoe beter de verkoop.
Maar muziek is dat geluid, ook al noemen wij het zo, eigenlijk niet. Muziek bestaat alleen in het hier en nu, als zij in het hier en nu wordt gemaakt, gemaakt door een of meer musici. Om haar te horen, moet je bij dat muziek maken aandachtig aanwezig zijn, moet je de klank uit het instrument zien, horen komen. Heeft die muziek geklonken, is zij uitgevoerd, dan is zij niet meer. Radio, grammofoonplaten, cd’s, iedere andere vorm van transmissie – heel goed, maar het is alleen een reproductie, zoals een prentbriefkaart een reproductie van het schilderij is. Het wezen, het leven van de muziek is er uit.
Stap op fiets of tram en bezoek Concertgebouw of Muziekgebouw aan ’t IJ, hoor de politiekapel in het Vondelpark spelen, of luister naar uw kinderen die een etude of voordrachtsstuk spelen. Al het andere, inclusief de ‘lollige gezelligheid’, hoort thuis bij de Consumentenbond, en is een onsmakelijk en onlosmakelijk bijverschijnsel van wat Thomas Edison langer dan een eeuw geleden over ons afriep. De afkeer van Hofland is begrijpelijk, maar het kind is al met het badwater weggegooid.
Jose Padilla. Terwijl ik dit schrijf luister ik naar Cafe Solo 2, een verzamel-cd van deze geweldige Spaanse dj. Ik geniet van de muziek, maar ook van de schoonheid van de klanken, dankzij de apparatuur waarmee ik het hoor. Jean Marie Reynaud, 47 Labs en Synthesis. Een welbekende combinatie bij Audio Life en niet zonder reden.
Het audiovirus heb ik al van vroeg af aan met de paplepel meegekregen. Mijn vader was al druk met platenspelers en versterkers. Veel van wat hij eind jaren 70, begin jaren 80 kocht, gebruikt hij nog steeds. De Sony direct drive platenspeler helaas niet (ik heb veel van zijn elpeecollectie ‘geleend’) maar nog wel de Luxman LV 105 hybride versterker en B&W Matrix speakers. Toen hij begin jaren 90 een nieuwe cd speler overwoog mocht ik, net 16 jaar, de keuze maken. Toen zette ik mijn eerste stappen, en koos de Marantz CD 72.
In de jaren erna en in mijn studententijd was ik echter niet zo met audio bezig. Ik gebruikte een midiset van Kenwood, en was daar content mee. Het budget was beperkt en gaf ik eerlijk gezegd ook liever geld uit aan andere dingen. Van een afstandje bleef ik wel de ontwikkelingen volgen in audioland. Ik weet niet hoe ik ooit bij Audio Cube terecht ben gekomen, maar weet wel dat ik veel te danken heb aan de kennis en ervaringen die ik destijds heb opgedaan.
Het is inmiddels 2004 (?) en ik leerde daar merken kennen als Synthesis, Jean Marie Reynaud en 47 Labs. In eerste instantie was het budget wederom ‘beperkt’. Ik gaf het geld liever uit aan muziek. Cd’s, platen, 12 inches. Ik was druk bezig met het aanleggen van een muziekcollectie, en kon regelmatig als dj draaien op diverse plaatsen in Amsterdam. Thuis luisterde ik veel naar pop, rock, jazz etc maar bij uitgaan was ik veel bezig met dance. Bij het draaien begon ik stijlen te combineren: van jaren 70 jazzfunk, jaren 80 new wave tot jaren 90 house. Nog steeds weiger ik in muziekcategorieën te denken, en is mijn smaak eigenlijk alleen maar breder geworden. Tegenwoordig luister ik zelfs naar opera! Wie had dat gedacht!
Terug naar de apparatuur. Rond die tijd (2005) kocht ik een Synthesis Nimis versterker en de Pride cd-speler. Speakers waren in eerste instantie Von Schweikert VR1. Eigenlijk wilde ik toen al heel graag Jean Marie Reynaud, maar dat lag toen boven mijn budget.
De Jean Marie Reynaud Trente die ik destijds hoorde liet mij sprakeloos. Ik weet nog goed hoe ik de eerste tonen hoorde van Stevie Wonder’s Songs in the Key of Life.. Kippenvel. Persoonlijk vond ik de Trente een mooiere speaker dan de Offrande. Vraag mij niet waarom, maar de Trente trekt mij in de muziek op een manier die ik eigenlijk (nog) niet bij een andere speaker heb meegemaakt.
Ik heb met veel plezier gespeeld met de Synthesis/Von Schweikert combinatie. Op gegeven moment werd echter duidelijk dat de Nimis versterker de zwakkere schakel was in het geheel, zeker toen ik alsnog besloot de Jean Marie Reynaud Trente aan te schaffen.
In 2007 begon de zoektocht naar een nieuwe versterker. De eerste gedachte was de 47 Labs Shigaraki, waarmee ik de Trente had gehoord bij Audio Cube. Er is echter veel keus in versterkers en ik had begrepen dat een ander Frans merk Audiomat goed past bij Jean Marie Reynaud. Een redelijk spontane aankoop van de Arpege – een op de el34 buis gestoelde geïntegreerde versterker – was het gevolg.
Weer volgde een periode waarin ik niet met audio-apparatuur bezig was. Ik was tevreden met de set; de Jean Marie Reynaud, Synthesis en Audiomat combinatie was zeer plezierig om naar te luisteren. Mijn muziekcollectie bleef inmiddels verder groeien. Via ebay kocht ik obscure disco 12 inches, geïnspireerd door twee inmiddels overleden legendarische Amerikaanse dj’s, Larry Levan en Ron Hardy. Ook mijn liefde voor bossa nova groeide, en daar kwam zoals gezegd mijn interesse in opera bij.
In 2010 begon ik te merken dat de buizen in mijn Audiomat aan vervanging toe waren. Een goed moment om na te denken over een upgrade dacht ik zo! Na wat gespeur op het internet ben ik terecht gekomen bij inmiddels Audio Life in Buren, waar Caspar zeer behulpzaam was. Persoonlijk was ik erg gecharmeerd van de Luxman SQ 38u, zonder de versterker gehoord te hebben. Het merk Luxman had een speciale betekenis voor mij, gezien de versterker van mijn vader, en qua design was ik ook zeer enthousiast.
In twee luistersessies hebben Caspar en ik de Luxman vergeleken met mijn eigen Audiomat en de 47 Labs Shigaraki. Wis en waarachtig, maar ik moest erkennen dat de Shiga mij uiteindelijk het meeste aansprak. Deze kleine Japanner speelde het klaar om zeer trouw aan de opname te blijven. Iets wat mij in eerste instantie thuis weleens irriteerde, maar na wat geëxperimenteer met kabels, toch zeer charmeerde. De Shiga kan met alle soorten muziek overweg, en is met dance opvallend genoeg een uitblinker. Ik heb ook andere ‘duurdere’ versterkers gehoord maar uiteindelijk toch gekozen voor de Shiga.
Dit is in het kort mijn audiogeschiedenis. Opvallend is dat ik speel met een combinatie die ik in 2005 al gehoord heb. Ik heb echter nog steeds niet het idee dat mijn set ‘ouderwets’ is. De nieuwe lijn van Jean Marie Reynaud vind ik erg mooi, maar ik kan mij niet voorstellen ooit mijn Trente’s weg te doen. Mijn Synthesis Pride cd-speler (van de eerste generatie) verdient ook een eervolle vermelding. Deze cd-speler is buitengewoon muzikaal en kan zich meten met menig duurdere speler.
Plannen voor de toekomst? Hoog op mijn verlanglijstje staat een platenspeler. Ik speel al jarenlang met de DJ-draaitafel de Technics SL1210 (in een aparte set), maar het wordt tijd voor een waardevolle partner voor mijn Jean Marie Reynaud/Shigaraki combi. Tijd om Caspar weer eens te bellen!
Jitter is the reason why the same digital signal (pattern of 0/1 bits) can sound so very different when converted to analog. And jitter is incredible difficult to get rid off. Let me try to explain why (I will simplify here and there to explain the core of the problem more clearly).
The digital signal has a very high frequency, so everything in the digital signal path will transmit electromagnetic waves (radiowaves). Even the power supply will start to transmit because it has to supply the aggressively switching digital loads (0V or 5V) with the same high frequencies.
These waves are picked up everywhere in the circuit including that same paths/parts that transmit them, causing many tiny bit timing errors: jitter. These timing errors are created in complex patterns related to the various digital signals (containing music and functional information), power supply regulation, etc. It’s these jitter patterns that distort the sound in an ugly way (random jitter is far less audible).
If you could see the electromagnetic waves/fields in digital equipment it would look like total chaos, even in very well designed equipment. Even with optimal optical isolation and/or reclocking the jitter patterns at the input will be partly copied to the output. Total isolation is simply not possible. If you want digital audio at the highest possible level, you will need to prevent jitter as much as possible.
In simple digital circuits it’s easier to limit jitter damage than in complex circuits. Note that adding a jitter reducing circuit will also introduce some new jitter pattern, it’s that complex.
Upsampling/oversampling adds a lot of complexity, so more usually more jitter patterns of the ugly sounding kind. Higher resolution formats also mean higher frequencies, increasing the problems. A perfect clock hardly improves anything because the jitter problems in the rest of the design are usually far worse. The actual point where digital is converted to analog is critical, but you can not expect to eliminate jitter from a dirty digital signal, no matter how perfect the clock is.
This is why some of the early, simple DAC designs can sound so great (when well implemented).
Unfortunately it’s extremely difficult to implement digital audio at a high level and very, very few designers understand the problems. No manufacturer has ever been able to produce an affordable high-quality CD player. Still it is possible. Now everything is shifting towards computer audio. Computers are a giant source of ugly jitter. Over the years we’ve tried many computer/streaming audio solutions, everything which is supposed to be “the best”. But we haven’t heard anything yet that could approach a good CD setup (starting at 5000 euro/dollar). Now, most CD equipment sucks (including very expensive ones), and computer audio is the future, so it’s not strange that many audiophiles are switching to computer audio. But if you’re aming for the highest quality then there’s still a gap. I hope it will be bridged, but it won’t be easy. Again the simplest solutions seem to be the best sounding ones (see: The search for the best USB DAC).
Van ‘computeraudio’ wordt in veel gevallen de kwaliteit nogal overdreven als je het ons vraagt. Hoe vaak hebben we niet gelezen dat “het elke CD-speler volledig wegspeelt”? In de meeste gevallen gewoon niet waar wat ons betreft (maar veel mensen geloven het blind vanwege de theoretische voordelen ervan). Los van de daadwerkelijke kwaliteit (daar gaat het ons hier niet om) is er een groot probleem: er worden vaak appels met peren vergeleken. Want de een speelt met Amarra terwijl de ander dat (nog) met Winamp doet. De een ript met iTunes, de ander met Exact Audio Copy. We hebben gemerkt wat een ongelofelijk groot verschil dat maakt. En dat er een paar essentiele stappen belangrijk zijn om computeraudio hoe dan ook, los van de methode of het apparaat dat je gebruikt, op een hoog niveau te krijgen. Behold, onze gouden tips!
Rippen
De kwaliteit van streaming audio wordt al bepaald op het moment dat je de oorspronkelijke data ‘ript’, oftewel: de muziek kopieert naar je harde schijf / NAS. Een expliciete waarschuwing omdat we weten hoeveel mensen dit doen: gebruik hier alsjeblieft geen iTunes voor! Als interface is het prima te gebruiken (zie verder), maar rippen in dit programma kost je veel kwaliteit. Gebruik in plaats daarvan een programma dat hier dedicated voor is gemaakt: XLD (voor Mac) of EAC (voor PC). Je kunt ons gewoon geloven of even Googlen op deze termen: dit zijn zover wij de beste rip-programma’s van het moment. Bovendien zijn ze gratis, dus testen moet je in ieder geval als je dat nog niet gedaan hebt…
Kortom: gebruik XLD of EAC!
Afspelen
iTunes vinden we by far de beste interface om muziek mee te beluisteren. Bovendien zijn we fervent Mac-gebruikers, dus over deze combinatie hebben we het nu. Groot voordeel is dat je iTunes kunt bedienen met de gratis Remote app op je iPhone, iTouch en iPad. Maar ook hier geldt: speel niet zomaar af via de iTunes-output, want dit kost je kwaliteit. Kort gezegd gaat de muziek op deze manier door allerlei onnodige processing heen voordat het je computer verlaat. Zonde! Gebruik in plaats daarvan Pure Music(vanaf $129) of Amarra (vanaf $79). Beiden zijn speciaal ontwikkeld voor samenwerking met iTunes.

Ja, beiden kosten geld, maar het is de investering waard (lees verder). Welke te kiezen? Pure Music heeft 1 pakket met daarin direct de hoogste resoluties en is het meest gebruiksvriendelijk. Bij Amarra kies je uit 3 pakketten:
– Amarra Junior: $79, tot 44.1Khz bestanden
– Amarra Mini: $295, tot 96Khz bestanden, RAM-based playback en nog wat extra’s
– Amarra: $695, tot 192Khz bestanden, RAM-based playback en gebruiksvriendelijker
Vergelijken
We hebben Pure Music, Amarra Mini en iTunes-playback direct met elkaar vergeleken. Conclusie: de stap die je maakt met Pure Music of Amarra ten opzichte van iTunes is hoe dan ook erg groot, aanrader dus. De onderlinge verschillen zijn relatief klein, maar belangrijk. We raden aan zelf te testen (evaluatie-versies zijn gratis) maar wij geven de voorkeur aan Amarra Mini. Deze heeft het rijkere, meer gewichtige geluid, Pure Music klinkt wat lichter met minder body. Maar nogmaals: ook deze laatste is al erg goed. We hebben vergeleken op 47 Labs, Weiss en Resolution Audio (met overal dezelfde bovenstaande resultaten).
Kortom: gebruik Pure Music of Amarra!
Wellicht zijn er meer soortgelijke (en Mac-compatible) programma’s die we niet gevonden hebben. Weet jij meer? Laat het ons weten door een berichtje achter te laten!
Zeven-en-zestig complete strijkkwartetten liet Joseph Haydn ons na. De laatst voltooide set van zes kwartetten was besteld door een Hongaarse edelman, graaf Joseph Erdödy. Tja, dat waren andere tijden!
Zeker, niemand anders dan hij had de norm zo hoog gelegd dat hij er ook zelf een enkele keer wel eens niet aan beantwoordde. Maar toch, er is in ieder kwartet wel een deel, een passage, een ogenblik waarop de aandachtige luisteraar een schokje krijgt – om een geestige wending (die uit van alles kan bestaan, zelfs uit een onverwachte stilte), om onverwachte harmonieën (in zijn ‘doorwerkingen’ kan hij alle uithoeken van de ‘kwintencirkel’ bezoeken), om tempoveranderingen (op vreemde plaatsen gaat hij er ineens vandoor of blijft als een onwillige bok staan), en, natuurlijk, om een prachtig nieuw thema.
Het laatste deel van een beroemd kwartet uit die laatste set, opus 76 nr.3 (beroemd door het tweede deel, het [nu] Duitse volkslied) brengt zo’n schok teweeg. Je denkt nog argeloos dat er na het menuetje (dat bij hem ook wel eens aan het melken van Oostenrijkse koeien doet denken) wel een gemoedelijk rondo zal volgen, maar volkomen onverwacht, na die drie zonnige delen in een zonnig ‘majeur’ (C groot) barst de componist keihard los in twee maal drie woedende, sombere akkoorden in de ‘mineur’-versie van die toonaard. Wat verbeeldt hij zich wel, dat-ie Beethoven is? En die akkoorden worden even later nog ondersteund door razende triolen, die het hele deel door hun briljante werking houden—en het kleine, lyrische antwoord op die boze akkoorden bijna om zeep helpen. Geweldig.
Wat een geestkracht had die oude. Een armetierige jeugd (zelfs uit het kerkkoor gegooid), een feeks van een vrouw, tientallen jaren opgeborgen in een afgelegen kasteel ergens ten zuiden van Wenen, om zijn bazen te vermaken. Acht-en-zeventig jaar werd hij, en hij, de lelijke, de geestige, de gelovige Joseph Haydn stierf rijk en beroemd.
De introverte Robert Schumann (1810-1849), oppervlakkig gezien niet meer dan een Duitse burger uit de middenklasse, was onvoldoende gewapend tegen het leven. Benoemd tot compositieleraar in Leipzig, bleek het dat hij geen les kon geven; daarna, dirigent in Düsseldorf, wreekte zich zijn gebrek aan leiderschap; en ambities om een groot pianist te worden, faalden, ook door oefeningen die zijn vingers vernielden – en zelfs een poging zich van het leven te beroven, mislukte. Hij stierf in een inrichting, 46 jaar oud. Bij zijn leven stond hij in de schaduw van zijn vrouw Clara, een befaamde concertpianiste, die hem 47 jaar overleefde.
Het blijft altijd een geheim hoe karakter en creatie zich tot elkaar verhouden, maar in al zijn werk komen zowel de neiging tot opstandigheid als introspectie tot expliciete uitdrukking. Tallozen hebben er op gewezen hoe de twee tegenpolen, van het verlangen om meeslepend te leven enerzijds, en berusting en melancholieke afzijdigheid anderzijds, naast elkaar in zijn muziek tot gelding komen. Luister eens naar de eerste van zijn Bunte Blätter, veertien pianostukjes die hij in verschillende periodes van zijn leven componeerde. Hij was een meester op de korte baan: dit duurt iets meer dan anderhalve minuut, maar wat een immense tederheid spreekt er al niet uit die eerste, vragende curve, en hoe prachtig houdt hij die sfeer vast in de paar subtiele verschuivingen van melodische wendingen en harmonie.
Geen andere componist dan Schumann brengt, zelfs bij de meest geharde luisteraar, zo sterk gevoelens naar boven die wel aan verliefdheid doen denken. Hij was op zijn best als liederencomponist, maar je hoeft zijn cyclussen Dichterliebe en Frauenliebe und -leben niet te kennen om bij het horen van dit Bunte Blatt dezelfde spanning, dezelfde vreugde en dezelfde gevoelens van ontoereikendheid te ondergaan.
In my search for the best music reproduction system I had the honor to visit G.I.P. Laboratory in Japan in May 2010 (located in Kaminoyama Onsen, a town famous for it’s spa’s, 300km north of Tokyo).


G.I.P. Laboratory was founded by Suzuki-san, both a talented musician/director and designer/builder of audio equipment. Mr. Suzuki has always been in the search for the best possible reproduction. He already had a dream collection of the best vintage gear, but after hearing Western Electric (as used in legendary cinema sound systems from the 1930’s) it was clear this was above anything else and his only option was to continue in that direction.



Good Western Electric drivers are now so rare, most of us can’t afford them, and even then it could be an expensive gamble. What Mr. Suzuki did was carefully learning the construction and secrets of these units, and finally building these units again without any compromise, part for part, exactly like the original ones, and now even trying to improve on them in details when possible. Crafting these parts is a job for specialists, here Mr. Suzuki has the help of two talented engineers. Furthermore he’s researching the best possible horns and cabinets for these drivers, with the best possible amplification starting from the Western Electric originals.



What can I say about the sound? You would have to hear it yourself. Anyway, I’ll try: First of all here I had the chance to compare some of the best drivers ever made, and Western Electric drivers are simply killing everything else. Comparing compression drivers first without a horn attached, there’s already a huge difference anyone could hear, the Western Electric driver sounding so much more real, rich and powerful, much more defined and extended (vs. f.i. Altec). Listening to a single full range field-coil driver without a cabinet already made a greater impression than many finished speakers can ever achieve. And of course comparing the original units with the G.I.P. replicas: very similar and even surpassing the original ones (I don’t know if that’s due to aging or innovation, but they’re extremely well made).



The total systems, It’s beyond any doubt. It’s overwhelmingly good, much closer to live sound than any system I’ve heard. The very best modern high-end I’ve heard so far doesn’t come anywhere near. This is totally uncompressed, extremely dynamic and relaxed at the same time, natural, rich, dense and open at the same time, definition is extremely articulated but without any of this typical high-end edginess, it’s totally smooth at the same time, just so much closer to live music/sound, it just makes you want to dance or dream away with the music. The sound character and atmosphere does change with each recording, the system itself hardly imposes itself on the sound. You can be truly surprised, again and again (was that sound really coming from this system?). There are no limits in extension or size, an orchestra can sound big, a singer can sound small, intimate and tangible (unlike most horn speakers). You’ll hear what’s recorded, live, right in front of you.



Any criticisms? I’d have to live with such system for a longer time to discover them, the only thing I could detect once in a while was a slight character of the mid-horn, but there’s nothing intrusive or unpleasant at all, it’s much, much less than any other modern or vintage horn system I’ve heard. Than later that day Mr. Suzuki took me to another location where they were working on various prototypes with wooden horns (see pictures above), here I could not detect any of that character at all, it reproduced extremely rich, live, natural timbres.
The only serious objections you could have are cost and size, but the performance is just shockingly good. As dynamic, exciting and extended as they are, they are also extremely comfortable and relaxing to listen too. Of course in a smaller room, the smaller systems (pictures below) would be more appropriate. They won’t do the largest scale, but it can deliver all of the other magic. When you’ve forgotten you’re listening to a system and are fully taken by the music then there’s nowhere further to go.
If they are properly setup (coherent, with proper acoustics and electronics), I can not imagine someone can have any serious critisism (besides some of those brain-washed audiophiles that have no idea how live music sounds anymore or even forgot how to enjoy music).






Western Electric did a great job in the 30’s, they had a huge team of dedicated engineers working on the best possible sound reproduction. I’m not saying it’s perfect, but I have not heard anything modern anywhere near this level yet. The only innovations since then seem to be cost cutting (and size and weight, man these drivers are heavy!) It’s a damn shame that quality this is not produced anymore (except by a few very dedicated people). So much knowledge thrown away, I don’t know any big manufacturer today that can produce such good compression drivers, good woofers, tweeters, mid- or full range units, with or without field-coil technology. Forget those ribbon tweeters, ceramic units, etc, this stuff gets crushed instantly by the proper original stuff. High-end innovations? sure there are some, but most innovations in audio reproduction were made to make things cheaper, not better. There’s a huge gap in performance between what’s possible with those vintage quality drivers and modern high-end drivers. High-end audio doesn’t deserve it’s name, it’s a joke in comparison. It’s about time more people wake up, if you have a chance to hear such a properly setup system, than go for it. Even if you can’t afford it, just enjoy the moment, hear what is possible. Last week I was at the CES in Las Vegas where Silbatone Acoustics demonstrated his top amplifiers on Western Electric speakers (where the mid units were build by GIP), the room was too small for the system but who cares, at this level nothing comes near, it was pure music, pure emotion, pure fun. There was also a small system next door with a simple 2-way monitor made by Western Electric in 1948, using lower spec drivers, without field-coil technology, but the magic is fully there, perfect for a normal living room (unfortunately these monitors are ultra rare).



I don’t want to leave this planet without having enjoyed such system in my room, either small or big, just that magic of music so live in your room, it’s possible, if only I could time travel…



PS: It took me a long time to write something about Western Electric, still hoping to score something on Ebay first I guess. But you can forget that, the secret’s been out anyway, everything that’s good is bought by a several rich buyers that will overbid anything.
Now I think it’s better to share these systems and the knowledge, try to learn from them, and let’s hope some high-end designers/manufacturers will finally learn from them.
I see there’s a wonderful subculture going on, reviving all the good stuff from the past and taking as far as possible. You can not take it to the next level without talented and/or passionate, dedicated people. Thanks to people like Mr. Suzuki from GIP Laboratory, Mr. Manho Oh from Silbatone Acoustics, but also people like Joe Roberts from Sound Practices, Jeffrey W. Jackson from Experience Music and HiFi Heroin, Goto-san, our own Cees Pel, and many others we haven’t met yet!
En dan ineens – wie zegt dat hij of zij het niet ook wel eens beleeft, kent zichzelf niet of jokt – ineens hebben wij, zonder enige uiterlijke aanleiding, schijt aan al dat nobele, hoge, edele van de mooie, mooie, goddelijke en prachtige en nog prachtiger muziek en dan verlangen wij naar lekkere platvloerse hap met zinnelijk gezwijmel en stompzinnige beat. En waarom ik dan niet aan dat verlangen toegeef, dat antwoord mag de psycholoog geven: vader, moeder, dominee of pastoor, hij zoekt het maar uit. Hier is een gedicht van Anton Korteweg waarin zijn liefste muziek mooi wordt beschreven.
Smaak
De liefste muziek blijft toch die
waarbij je afwassen kan,
ouderwets, zonder machine,
met teiltje en afwaskwast.
Lepels tegen een kopje,
geplop, gerinkel van glaswerk,
een botsend bord, vallende vorken
doen er geen afbreuk aan.
Ik kom dan al snel terecht
bij Carmen, Bolero, Liszt, Traviata, Eroica,
maar Mahler gaat me te ver.
dik bovenop, vettig, tering,
let niet op een haaltje extra,
luid, schmierend, duidelijk.
lekkere, hoerige ordi’s
niet om aan te horen zo plat,
die doen het bij mij altijd wel.
Voor ons waren – ik spreek van een jaar of dertig geleden – de strijkkwartetten van Bela Bartok een ondoordringbaar oerwoud van klanken. Was dat muziek, zo cru, zo dicht en meedogenloos van klank?
Toen ons clubje amateurs de eerste maten van het eerste kwartet (uit 1914, nu alweer een eeuw geleden!) produceerde, begon een reis die lang heeft geduurd. Het eerste, het tweede en het zesde kwartet, op ieder werk hebben wij een jaar lang geoefend, maar wij hebben ze tot ons eigendom kunnen maken. Natuurlijk, wij hebben ze zelden of nooit in het openbaar ten gehore gebracht, maar wat een verrijking betekende het om de taal van Bartok te kunnen lezen en begrijpen! En daardoor ontdek je ook in de oude, vertrouwde muziek weer nieuwe schatten.
Vorige maand zag Lassus een grote tentoonstelling van het werk van de beeldhouwer Alberto Giacometti, ieder kent ze wel, zijn spichtige, lange figuren. Veel liefhebbers van moderne kunst zien de grootheid van zijn werk (dat op veilingen dan ook miljoenen opbrengt). Ons is dat nog niet gegeven. Veelal komt de waardering pas na lange oefening en volharding, een enkele keer slaat de bliksem in, maar er blijft werk dat zich niet gemakkelijk aan je openbaart. Dat hoort bij de tijd waarin wij leven.